ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ8496
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over omvang legitieme portie na onterving en afgifte bescheiden
De zoon is door zijn vader onterfd en de dochter benoemd tot enig erfgenaam. De zoon vordert inzage in diverse bescheiden, waaronder bankafschriften en machtigingen, om de omvang van de legitimaire massa en daarmee zijn legitieme portie vast te stellen.
De dochter betwist de vordering deels en voert onder meer rechtsverwerking aan. De rechtbank oordeelt dat rechtsverwerking niet is vastgesteld en dat giften aan de dochter, ongeacht het tijdstip, bij de berekening van de legitieme portie moeten worden betrokken.
De rechtbank wijst de vordering tot afgifte van bankafschriften van 1 maart 1997 tot 23 maart 2002 en een machtiging voor inzage in bankgegevens toe, maar wijst andere vorderingen af wegens onvoldoende onderbouwing of belang. De vordering tot benoeming van een deskundige voor taxatie van de woning wordt afgewezen wegens onvoldoende gemotiveerde twijfel aan de bestaande taxaties.
De rechtbank stelt de waarde van de woning vast op €235.000 en overweegt dat kosten van vereffening in mindering komen op de nalatenschap, maar kosten van executele niet. Het successierecht wordt niet meegenomen bij de berekening van de legitimaire massa.
De zaak wordt verwezen naar de parkeerrol voor nadere aanvulling van stellingen en bewijs. De dochter wordt veroordeeld tot afgifte van de gevraagde bankafschriften en machtigingen binnen twee maanden.
Uitkomst: De dochter wordt veroordeeld tot afgifte van bankafschriften en machtigingen, overige vorderingen worden afgewezen, en de zaak wordt verwezen naar de parkeerrol voor nadere bewijslevering.