ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ7955

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13-264/536314
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:254 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming bijzondere curator bij geschil over wijziging gezinsvoogdijinstelling

De moeder verzocht om wijziging van de voogdij-instelling over haar minderjarige kinderen, waarbij zij de voogdij van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (BJAA) wilde wijzigen. De moeder ervaart de omgang met haar kinderen als onvoldoende en belastend, mede door de wijze waarop BJAA de omgang organiseert en de stress die dit veroorzaakt. BJAA verzet zich tegen wijziging en benadrukt het belang van voorspelbaarheid en gestructureerde omgang voor de kinderen, die te maken hebben met gehechtheidsproblematiek.

De kinderrechter stelt vast dat de moeder geen rechtsingang heeft voor haar verzoek tot wijziging van de voogdij, omdat zij geen gezag heeft en daarom artikel 1:254 lid 5 BW Pro niet analoog kan worden toegepast. De onderliggende problematiek, een langdurig verschil van mening over de omgangsregeling, wordt hiermee niet opgelost. De kinderrechter constateert een gerechtvaardigd vermoeden van een belangenstrijd tussen de minderjarigen en de voogd en besluit daarom ambtshalve een bijzondere curator te benoemen.

De bijzondere curator krijgt de opdracht om te onderzoeken of de huidige omgangsregeling in het belang van de minderjarigen is en hierover te rapporteren aan de kinderrechter. De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek en verdere beslissingen worden aangehouden tot na het rapport van de bijzondere curator. De zitting met partijen, BJAA en de bijzondere curator wordt gepland in november 2013.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging voogdij afgewezen en bijzondere curator benoemd voor belangenbehartiging minderjarigen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
Zaaknummer: 13-264/536314
Beschikking van de kinderrechter in de bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van het verzoek van
[moeder], hierna te noemen de moeder,
wonende te [plaats],
advocaat mr. H. Zahi,
tegen
het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
hierna ook te noemen: het BJAA,
strekkende tot wijziging van de voogdij-instelling tot uitvoering van de voogdij over de minderjarigen,
[minderjarige 1], geboren te [plaats] op [2001],
[minderjarige 2], geboren te [plaats] op [2003],
verder te noemen de minderjarigen.
1. Verloop van de procedure
Bij beschikking van 28 januari 2009 van de rechtbank Amsterdam is het BJAA belast met de voogdij over voornoemde minderjarigen.
Op 14 februari 2013 en aanvullend op 7 maart 2013 heeft de moeder een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot wijziging van de voogdij-instelling.
Op 20 maart 2013 en aanvullend op 5 april 2013 heeft het BJAA een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 8 april 2013.
Verschenen en gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. H. Zahi, en vergezeld door een begeleider van Cordaan;
- mw. [A], namens het BJAA.
De uitspraak is nader bepaald op heden.
2. Beoordeling van het verzochte
De raadsvrouw licht het verzoekschrift toe en verzoekt om analoge toepassing van artikel 1:254 lid 5 BW Pro. De moeder ervaart de samenwerking met het BJAA als negatief. Er wordt te weinig rekening gehouden met haar verstandelijke vermogen. De omgang vindt één keer per twee maanden plaats in een kantoor met vreemden er bij. De moeder heeft steeds te maken met andere mensen bij de omgang en dit veroorzaakt stress. Het BJAA houdt geen rekening met de impact die een en ander op de moeder heeft en komt de moeder niet tegemoet. Alles wordt afgeschoven op de problematiek van de moeder. De moeder doet haar best. De feitelijke situatie is anders dan het BJAA in haar verweerschrift schetst. Zo vindt er geen kinderomgang plaats en ook geen omgang tussen de moeder en haar drie kinderen. De omgang met het jongste kind, die onder de WSG valt, verloopt wel goed.
Het BJAA verzet zich tegen inwilliging van het verzoek. De kinderen zijn jong en hebben veel meegemaakt. Er is sprake van gehechtheidsproblematiek. Zij hebben baat bij een voorspelbare en gestructureerde benadering. Er is begeleide omgang op een kantoor van het BJAA. Het BJAA acht het in het belang van de kinderen dat zij haar werk kan blijven doen. De kinderen vallen onder de doelgroep van het BJAA. De moeder valt onder de doelgroep van de WSS. Het jongste kind heeft een andere problematiek en staat onder voogdij van de WSG. Er is goed contact met deze voogd. Er is kinderomgang. Het BJAA hecht hier ook waarde aan. De omgang wordt jaarlijks geëvalueerd. Uitbreiding van de huidige omgangsregeling is niet aan de orde. Dit is op advies van de pedagogen van de zorgaanbieders waar de kinderen wonen. De kinderen ervaren de omgang als belastend. Voor de communicatie met de moeder zal Omega worden ingeschakeld.
De moeder wil graag meer omgang met de kinderen.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de kinderrechter het volgende.
De kinderrechter stelt vast dat de moeder ten aanzien van het onderhavige verzoek geen rechtsingang heeft. Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd ziet de kinderechter geen aanleiding conform de uitspraak van de rechtbank Utrecht (BN0975) artikel 1:254 lid 5 BW Pro analoog toe te passen. Anders dan deze uitspraak heeft moeder geen gezag, hetgeen een voorwaarde is voor (analoge) toepassing van artikel 1:254 lid 5 BW Pro.
Wel stelt de kinderrechter vast dat de onderliggende problematiek die aanleiding heeft gegeven tot het onderhavige verzoek, namelijk een al jaren voortslepend verschil in opvatting over de omgangsregeling, niet zal worden opgelost met de afwijzing van het verzoek van de moeder om de WSS tot voogd te benoemen voor al haar kinderen. Het feit dat de moeder geen rechtsingang heeft wil niet zeggen dat de moeder mogelijk wel inhoudelijk argumenten heeft. Blijkens het verweer van BJAA ondervinden de kinderen nog steeds spanningen voor, tijdens en na de omgang. De kinderrechter sluit niet uit dat niet alleen de gestelde claimende opstelling van de moeder hiervan oorzaak is, maar mogelijk ook de setting van de omgang en de frequentie van de omgang. Zowel de setting als de frequentie komen de kinderrechter op voorhand niet als kindvriendelijk in het belang van de kinderen over. In ieder geval bevat het onderhavige dossier in samenhang met de voorgeschiedenis voldoende aanwijzingen om uit te gaan van een gerechtvaardigd vermoeden van een mogelijke belangenstrijd tussen de minderjarigen en de met het gezag belaste voogd. De kinderechter acht het in het belang van de minderjarigen dat een onafhankelijk persoon hun belangen zal vertegenwoordigen in dit belangengeschil. De kinderrechter zal daartoe ambtshalve een bijzondere curator benoemen ex artikel 1:250 BW Pro met als opdracht te onderzoeken of de huidige omgangsregeling in het belang is van de minderjarigen en de kinderrechter hierover te rapporteren inclusief eventuele voorstellen tot wijziging.
Mr. M.E. van Zutphen heeft zich bereid verklaard de benoeming te aanvaarden.
Mitsdien wordt als volgt beslist.
3. Beslissing
De kinderrechter:
- verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van de voogdij-instelling.
- benoemt tot bijzondere curator over de minderjarigen:
mr. M.E. van Zutphen,
kantoorhoudende te Amsterdam,
(Nijenburg 2/C, 1081 GG te Amsterdam).
- verstaat dat de bijzondere curator vóór 15 oktober 2013 een schriftelijk verslag van bevindingen vertegenwoordiging van de minderjarigen bij de kinderrechter mr. R. van de Water indient;
- houdt iedere verdere beslissing aan en beveelt de oproeping ter terechtzitting van partijen, de raadsvrouw van de moeder, het BJAA en bijzondere curator mr. M.E. van Zutphen tegen een nader te bepalen datum en tijdstip op een zitting van mr. R. van de Water in november 2013.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. van de Water, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2013, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Koning, griffier..