ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ6995
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Compensatie wegens vertraging intercontinentale vlucht met aansluitende vluchten
De passagiers boekten een vlucht van Amsterdam naar Buenos Aires met een tussenstop in Madrid. De eerste vlucht had een vertraging van minder dan drie uur, waardoor zij hun aansluitende vlucht naar Buenos Aires niet konden halen. De vervoerder bood een vervangende vlucht via Sao Paulo aan, die later aankwam dan de oorspronkelijk geplande aankomsttijd.
De passagiers vorderden compensatie op grond van EU Verordening 261/2004, stellende dat de gehele reis als één vlucht moet worden beschouwd. De vervoerder stelde dat het om twee afzonderlijke vluchten ging en dat de vertraging op de eerste vlucht te kort was voor compensatie. Tevens voerde de vervoerder aan dat er sprake was van buitengewone omstandigheden en dat de compensatie gematigd moest worden.
De rechtbank oordeelde dat de passagiers recht hebben op compensatie omdat de vertraging op de eindbestemming meer dan drie uur bedroeg, conform het arrest Folkerts van het Europese Hof van Justitie. De vervoerder kon de buitengewone omstandigheid niet voldoende aantonen. Ook werd de compensatie niet gematigd, en de vordering tot incassokosten afgewezen. De vervoerder werd veroordeeld tot betaling van €1.200 plus wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: De vervoerder is veroordeeld tot betaling van €600 per passagier compensatie wegens vertraging op de eindbestemming.