ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3594
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Overlevering gedeeltelijk toegestaan voor drugstransporten naar Frankrijk
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Frankrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB betrof drie transporten van verdovende middelen in 2011. De verdachte werd verdacht van medeplichtigheid aan invoer, aankoop, vervoer en bezit van deze middelen.
De verdediging voerde aan dat de verdenking onduidelijk was en slechts gebaseerd op een getuigenverklaring van een persoon met een conflict met de verdachte. De rechtbank oordeelde dat de omschrijving van de feiten in het EAB en aanvullende informatie voldoende duidelijk was voor de overlevering, behalve voor het derde transport, waarvan de hoeveelheid en soort verdovende middelen niet waren gespecificeerd.
De rechtbank stelde vast dat de feiten voor twee transporten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren en dat de overlevering daarvoor kan worden toegestaan. Voor het derde transport kon dit niet worden vastgesteld, waardoor overlevering daarvoor werd geweigerd. Tevens werd de weigeringsgrond wegens deels op Nederlands grondgebied gepleegde feiten achterwege gelaten, omdat de vervolging in Frankrijk de voorkeur heeft.
De rechtbank wees het onschuldverweer af, omdat dit niet voldoende was aangetoond en het bewijs in Frankrijk zal worden beoordeeld. De overlevering voor de eerste twee transporten werd toegestaan, terwijl die voor het derde werd geweigerd.
Uitkomst: De rechtbank staat gedeeltelijke overlevering toe voor twee drugstransporten en weigert overlevering voor het derde transport wegens onvoldoende specificatie.