In deze strafrechtelijke overleveringszaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die belast was met de verlenging van zijn gevangenhouding. Verzoeker stelde dat de rechter onpartijdigheidsschending had begaan door een oordeel te geven over de vordering van de officier van justitie voordat hij of zijn raadsman hun zienswijze konden geven.
De rechtbank heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en vastgesteld dat de Overleveringswet geen eigen wrakingsregeling kent, maar dat artikel 512 e.v. van het Wetboek van Strafvordering overeenkomstig van toepassing is. De rechtbank oordeelde dat de rechter uit hoofde van haar functie onpartijdig moet worden vermoed, tenzij er objectief gerechtvaardigde aanwijzingen zijn voor partijdigheid.
Hoewel de rechtbank geen feiten vond die de onpartijdigheid van de rechter aantasten met betrekking tot de termijnberekening of de weergave in het bevel tot gevangenhouding, concludeerde zij dat het feit dat de rechter al een oordeel had gegeven voordat wederhoor was toegepast, de schijn van vooringenomenheid wekte. Dit fundamentele beginsel werd geschonden, en het achteraf alsnog bieden van wederhoor kon deze indruk niet wegnemen.
Daarom wees de rechtbank het wrakingsverzoek toe en bepaalde dat de zaak van verzoeker door een andere rechter zal worden voortgezet. Tegen deze beslissing is geen voorziening openstaand.