ECLI:NL:RBAMS:2013:9693

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2013
Publicatiedatum
18 april 2014
Zaaknummer
FT RK 13/2138
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub a FaillissementswetArt. 3 lid 1 Verordening 1346/2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling wegens haalbare betalingsverplichting en nalatenschap

Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelde dat niet aannemelijk is gemaakt dat verzoekster niet kan voortgaan met het betalen van haar schulden, zoals vereist in art. 288 lid 1 sub a Faillissementswet Pro.

De grootste schuld betreft een lening van €12.000,- bij een bekende, waarvoor slechts €100,- per maand hoeft te worden afgelost. Ondanks een beperkt inkomen is dit een haalbare betalingsverplichting, hetgeen blijkt uit de langere periode waarin verzoekster aan deze verplichting heeft voldaan. De bekende schuldeiser toonde zich bereid tot overleg bij betalingsproblemen, maar verzoekster heeft geen contact gezocht na het staken van betalingen.

De overige schulden zijn relatief gering en kunnen naar verwachting worden voldaan. Daarnaast is aannemelijk dat verzoekster binnenkort een geldbedrag uit een nalatenschap ontvangt, waarmee zij haar schulden kan aflossen. Gezien deze omstandigheden is het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat verzoekster haar schulden kan blijven betalen en binnenkort een erfdeel ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
rekestnummer: C/13/550368 / FT RK 13/2138
nummer verklaring: -
uitspraakdatum: 10 december 2013

Afwijzing toepassing schuldsanering

[verzoekster],

wonende te [straat]
[postcode],
verzoekster,
heeft op 19 september 2013 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van dinsdag 3 december 2013, onder gelijktijdige behandeling van het vaststellen van een dwangakkoord. Daarbij is verzoekster gehoord.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
De rechtbank acht niet aannemelijk dat verzoekster niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden (art. 288 lid 1 sub a Faillissementswet Pro), en zal het verzoek derhalve afwijzen.
Verreweg de grootste schuld van verzoekster is de schuld aan [naam 1]. Het gaat om een lening van in hoofdsom € 12.000,-, waarvan een deel is afgelost. Op deze schuld hoeft verzoekster slechts € 100,- in de maand af te lossen, en de rente hoeft pas na aflossing van de hoofdsom te worden voldaan. Hoewel verzoekster een beperkt inkomen heeft, is dit een haalbare betalingsverplichting, wat ook blijkt uit het feit dat zij langere tijd aan deze verplichting heeft voldaan. [naam 1] heeft daarnaast aangegeven bereid te zijn tot overleg in geval verzoekster problemen zou hebben met betalen. Dat dit overleg niet heeft plaatsgevonden is kennelijk aan verzoekster te wijten, nu zij onweersproken heeft gelaten dat zij (zoals [naam 1] verklaarde bij de behandeling van het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord) geen contact met [naam 1] heeft opgenomen nadat zij de betalingen heeft gestaakt, anders dan dat zij in september 2012 per sms heeft laten weten die maand niet te kunnen betalen in verband met het overlijden van haar moeder.
Verzoekster heeft, zo volgt uit het voorgaande, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is om aan haar verplichtingen jegens [naam 1] te blijven voldoen (vergelijk Hof Amsterdam 30 oktober 2008, LJN: BH4447).
De andere schulden, althans wat daar nu nog van resteert, zijn relatief gering. Het gaat om maximaal € 1.600,- à € 1.700,- aan schulden aan Energie Direkt, H&M en ING Bank, en om een schuld aan de belastingdienst, die voor een groot deel niet zal worden ingevorderd, als verzoekster niet tot de WSNP wordt toegelaten. Verzoekster moet in staat worden geacht - zeker nu [naam 1] zich bereid heeft verklaard tot overleg in geval verzoekster problemen zou hebben met betalen - deze schulden te betalen. Deze schulden zijn te gering om toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen.
Hierbij komt nog dat aannemelijk is geworden dat verzoekster op afzienbare termijn een geldbedrag tegemoet kan zien uit de nalatenschap van haar vader. Zij heeft recht op een zesde van de verkoopopbrengst van een in die nalatenschap vallende woning. Uit de brief van de notaris van 6 september 2013 blijkt dat is besloten deze woning te verkopen. Verzoekster weet niet hoeveel overwaarde de woning heeft, maar uit het feit dat het gaat om een woning in [stad] die eind jaren ’80 of begin jaren ’90 is gekocht, valt een vermoeden af te leiden dat er een substantiële overwaarde bestaat. Nu een reële kans bestaat dat verzoekster op afzienbare termijn haar schulden met haar erfdeel kan aflossen, is er reden te minder om haar toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2013. [1]

Voetnoten

1.De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.