Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2013:9047

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 november 2013
Publicatiedatum
30 december 2013
Zaaknummer
HA RK 351.2013
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid

Verzoeker, partij in een civiele procedure, verzocht om wraking van de rolrechter die op 4 oktober 2013 slechts vier weken uitstel verleende voor het nemen van de conclusie van antwoord. Verzoeker stelde dat hierdoor de schijn van partijdigheid was gewekt en hij zich niet adequaat kon verdedigen.

De rechtbank overweegt dat wraking bedoeld is om een rechter die (schijnbaar) partijdig is van de behandeling van een zaak te verwijderen. De betrokkenheid van de rolrechter was echter beperkt tot het geven van een beslissing op het uitstelverzoek. Na deze beslissing was de rechter niet langer betrokken bij de zaak.

Daarom is het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk omdat het zich niet richt tegen de behandelende rechter. De rechtbank verklaart het verzoek dan ook niet-ontvankelijk en wijst het af. Tegen deze beslissing is geen voorziening mogelijk volgens artikel 39 lid 5 Rv Pro.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer
Beschikking op het op 29 oktober 2013 ingekomen en onder rekestnummer HA RK 351.2013 ingeschreven verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. R.A. Overbosch, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1
Verzoeker is partij (gedaagde in conventie en eiser in reconventie) in een bij de rechtbank, team Kanton aanhangige procedure met kenmerk 2407480 en rolnummer CV 13-25012. Bij brief van 26 september 2013 heeft verzoeker op de rolzitting van 4 oktober 2013 uitstel verzocht voor het nemen van de conclusie van antwoord wegens zijn verblijf in het buitenland tot een nog onzekere datum. Hierop is verzoeker uitstel verleend tot 30 oktober 2013.
1.2
Op 30 oktober 2013 heeft verzoeker een conclusie van antwoord tevens eis in reconventie genomen, waarin als inleiding een verzoek tot wraking is opgenomen.
Het verzoek is kennelijk gericht tegen de rechter die op 4 oktober 2013 op de rolzitting heeft beslist op het door verzoeker op 26 september 2013 ingediend aanhoudingsverzoek wegens verblijf in het buitenland.

2.De gronden van het verzoek

Volgens verzoeker heeft de rechter de schijn van partijdigheid gewekt door op 4 oktober 2013 slechts vier weken uitstel te verlenen, omdat hem daardoor de mogelijkheid is ontnomen om zich adequaat tegen de vordering van zijn wederpartij te verdedigen.

3.De beoordeling van het verzoek

3.1
De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek buiten zitting kan worden afgedaan omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is. De wraking dient ertoe om een rechter die (schijnbaar) partijdig is van de behandeling van een zaak af te halen. De betrokkenheid van de rechter als rolrechter is in onderhavige zaak beperkt gebleven tot het geven van een beslissing op het verzoek om uitstel voor de conclusie van antwoord ter zitting van 4 oktober 2013. Nadat de rechter de verzoeker onwelgevallige beslissing had genomen, is hij niet langer aan te merken als de rechter die de zaak in behandeling heeft, aangezien zijn betrokkenheid bij de zaak geëindigd is met zijn rolbeslissing van 4 oktober 2013.
4. De slotsom is dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het zich niet richt tegen de behandelende rechter.
5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.
Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, en mrs. A.W.J. Ros en A.W.H. Vink, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv Pro geen voorziening open.