AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in bestuursrechtelijke UWV-zaak
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken was bij zijn bestuursrechtelijke zaak tegen een UWV-besluit. Het verzoek was gebaseerd op vermeende partijdigheid vanwege telefonisch contact tussen de rechtbank en het UWV voorafgaand aan de zitting, het niet informeren van verzoeker hierover, en de verlenging van de uitspraaktermijn zonder bijzondere omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat het wrakingsverzoek tijdig was ingediend, maar dat de aangevoerde gronden geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid opleverden. Contact voorafgaand aan de zitting betrof organisatorische zaken en werd tijdens de zitting toegelicht. De rechter erkende de overschrijding van de uitspraaktermijn, die werd veroorzaakt door ziekte en verlof, maar dit werd niet als partijdigheid gezien.
De rechtbank benadrukte het vermoeden van onpartijdigheid van rechters en stelde dat gevoelens van ongemak bij verzoeker onvoldoende zijn voor wraking. De procedure wordt hervat in de stand van voor het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen voorziening mogelijk volgens artikel 8:18 lid 5 AWBPro.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen en de bestuursrechtelijke procedure wordt hervat.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
wrakingskamer
Beschikking op het op 22 juli 2013 ingekomen en onder rekestnummer 243.2013 ingeschreven verzoek tot wraking van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. M. de Rooij, rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
het proces-verbaal van de zitting van de enkelvoudige kamer van 25 april 2013 in de zaak met nummer AWB 12/4428 ZW,
het schriftelijke wrakingsverzoek van 19 juli 2013, ingekomen op 22 juli 2013,
de schriftelijke reactie van de rechter van 24 en 25 juli 2013.
De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 5 augustus 2013 waar de rechtbank verzoeker en de rechter heeft gehoord.
1.Gronden van de beslissing
Van de volgende feiten wordt uitgegaan.
Verzoeker is eisende partij in een bij de rechter aanhangige zaak onder nummer AWB 12/4428 ZW.
Op 25 april 2013 heeft ten overstaan van de rechter een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het betreft het beroep door verzoeker ingesteld tegen een besluit van het UWV.
Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat na aanvang van de zitting de gemachtigde van verweerder heeft verklaard: “U zegt mij dat gisteren namens de rechtbank telefonisch contact is opgenomen met het UWV. U zegt daarbij dat eiser daarvan nog niet op de hoogte is. Dat contact betrof de algehele weigering in verband met de overtreding van de controlevoorschriften en dat in het bestreden besluit niets is overwogen over het maatregelenbesluit en welke categorie van verplichtingen in dit geval aan de orde is”.
Verzoeker is van dat contact voorafgaand aan de zitting niet op de hoogte gesteld.
De rechter heeft de gemachtigde van verweerder tijdens de behandeling voorgehouden dat als haar conclusie was dat er gebreken kleefden aan het bestreden besluit, de rechtbank de zogenaamde bestuurlijke lus zou kunnen toepassen.
De rechter heeft, nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, meegedeeld dat op 6 juni 2013 of eerder uitspraak zou worden gedaan.
Bij brief van 3 juni 2013 is aan verzoeker meegedeeld dat de uitspraaktermijn met zes weken was verlengd en bij brief van 18 juli 2013 is bericht dat uiterlijk 1 augustus 2013 uitspraak zou worden gedaan.
2.Het verzoek en de gronden daarvan
Het verzoek tot wraking, zoals ter zitting nog door verzoeker nader toegelicht en aangevuld, is gebaseerd op de navolgende zakelijk weergegeven gronden.
2.1
Verzoeker heeft het als vreemd, opmerkelijk en verdacht ervaren dat hij voorafgaand aan de zitting niet op de hoogte is gesteld van het contact dat heeft plaatsgevonden met de gemachtigde van de wederpartij.
2.2
Dezelfde indruk heeft hij van de wijze waarop de rechter de gemachtigde van verweerder tijdens de mondelinge behandeling heeft geconfronteerd met gebreken van het bestreden besluit.
2.3
De termijnen zoals vermeld in artikel 8.66 Awb zijn geschonden omdat tot tweemaal toe de uitspraaktermijn is verlengd en zelfs niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een eenmalig uitstel kunnen rechtvaardigen.
2.4
Op grond van deze omstandigheden heeft verzoeker de indruk dat de rechter partijdig is. Volgens verzoeker betreft het hier bovendien een simpele zaak. Naar de rechtbank begrijpt bedoelt verzoeker hiermee dat de verlenging van de uitspraaktermijn kennelijk heeft plaatsgevonden om de wederpartij te bevoordelen.
3. De reactie van de rechter
De rechter acht het verzoek niet tijdig gedaan en heeft voorts aangevoerd dat het verzoek ook geen gronden tot wraking bevat. Zij heeft erkend dat de uitspraaktermijn in strijd met de wet is verlengd. Deze dubbele verlenging is het gevolg van levensloopverlof en een periode van arbeidsongeschiktheid. De rechter betreurt deze gang van zaken.
4.De beoordeling van het verzoek
4.1
Volgens artikel 8:16 lid 1 vanPro de Algemene wet bestuursrecht moet het verzoek worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn geworden waarop een beroep wordt gedaan.
4.2
Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek tijdig gedaan. De laatste omstandigheid die voor klager aanleiding tot de wraking vormt, is de brief van 18 juli 2013 die namens de rechter is verstuurd, waarbij opnieuw uitstel wordt aangekondigd voor de uitspraak. Deze aanhouding wordt geacht te behoren tot de behandeling van de zaak. Prompt daarop is het wrakingsverzoek ingediend.
4.3
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren
voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert,
althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.
4.4
De vraag of sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.
4.5
Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoeker genoemde omstandigheden, op zichzelf beschouwd noch in onderling verband bezien, een grond op voor de stelling dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat de dienaangaande bij hem bestaande vrees subjectief noch objectief gerechtvaardigd is.
4.6
De rechter heeft tijdens de behandeling van het onderhavige verzoek toegelicht dat het in het kader van de zogenaamde nieuwe zaaksbehandeling een normale procedure is om voor de zitting met partijen contact op te nemen over onderwerpen van organisatorische aard, als dat de procedure kan versnellen. Het lukte niet om verzoeker voor de zitting te bereiken en daarom is dat tijdens de zitting van 25 april 2013 direct aan de orde gesteld en uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze gang van zaken geen vooringenomenheid van de behandelend rechter worden afgeleid.
4.7
De rechtbank acht het wel begrijpelijk dat bij verzoeker enige onrust is ontstaan omdat hem de gang van zaken betreffende de “bestuurlijke lus” bij de behandeling van zijn beroep kennelijk niet voldoende duidelijk is geworden. Dat betreft een procedure waarbij een besluit dat aan de rechter ter toetsing wordt voorgelegd en waaraan iets mankeert, door een bestuursorgaan kan worden hersteld. De rechter heeft kennelijk, mede op verzoek van het UWV, de voorkeur gegeven aan het volgen van de zogenoemde nieuwe werkwijze waarbij niet aan het bestuursorgaan wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, maar de bestuursrechter zelf de beslissing neemt, waardoor zaken sneller kunnen worden afgedaan. Dat is ook in het belang van verzoeker.
4.8
Ook tijdens de behandeling van het onderhavige verzoek, na de toelichting van de rechter, bleef verzoeker naar eigen zeggen een ongemakkelijk gevoel houden dat er over hem werd beslist, zonder dat hij daarbij werd betrokken, al heeft hij wel zijn vertrouwen in de rechter uitgesproken. Deze gevoelens van klager kunnen, zoals reeds gezegd, geen grond tot wraking vormen.
4.9
Tenslotte kan de betreurde overschrijding van de uitspraaktermijnen als gevolg van vakantie en ziekte van de rechter evenmin tot gegrondverklaring van het verzoek leiden. Met partijdigheid heeft dit niets te maken.
4.1
Voor alle duidelijkheid wordt nog overwogen dat indiening van een nieuw wrakingsverzoek zal afketsen op de tijdigheid (zie 4.2)
5. Nu feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn
gesteld noch gebleken, dient het wrakingsverzoek als ongegrond te worden afgewezen.
6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
B E S L I S S I N G:
De rechtbank:
wijst het wrakingsverzoek af;
bepaalt dat de zaak met het nummer AWB 12/4428 ZW wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mr. C. von Meyenfeldt, voorzitter en mrs. E.D. Bonga-Sigmond en G.M. Boekhoudt, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 augustus 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.
Coll.:
Tegen deze beslissing staat ingevolge het bepaalde in artikel 8:18 lid 5 AWBPro geen voorziening open.