De zaak betreft een geschil tussen een docent viool en de stichting Leerorkest over de kwalificatie van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. De docent verrichtte werkzaamheden via een payrollingbedrijf en later rechtstreeks voor Leerorkest op basis van schriftelijke overeenkomsten die als opdrachtovereenkomst waren aangeduid. De docent stelde dat er feitelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat op grond van artikel 7:668a BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan, die onrechtmatig was opgezegd.
De kantonrechter weegt de omstandigheden, waaronder de inhoud van de schriftelijke overeenkomsten, de wijze van betaling, de mogelijkheid tot vervanging en de gedragingen van partijen. Hoewel sprake was van een gezagsverhouding, was er geen persoonlijke arbeidsplicht en werd loon niet betaald zoals bij een arbeidsovereenkomst gebruikelijk is. De docent was zich bewust van de opdrachtovereenkomst en heeft ook een VAR-loon getoond terwijl de overeenkomst een VAR-wuo voorschreef.
De kantonrechter concludeert dat de overeenkomsten als opdrachtovereenkomst moeten worden gekwalificeerd en dat deze van rechtswege zijn geëindigd. De vordering tot doorbetaling van loon wordt afgewezen en de docent wordt veroordeeld in de proceskosten.