De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot tenuitvoerlegging van een onherroepelijke strafvonnis van het Landsgericht Hamburg, waarbij de veroordeelde was veroordeeld tot 3 jaar en 3 maanden gevangenisstraf wegens drugsmisdrijven. De veroordeelde verbleef in overleveringsdetentie in Nederland en voorlopige hechtenis in Duitsland, waarna hij in vrijheid werd gesteld en zijn leven in Nederland hervatte.
De rechtbank oordeelde dat de feiten strafbaar zijn volgens Nederlands recht en dat aan de vereisten voor tenuitvoerlegging is voldaan. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van de detentietijd, terwijl de verdediging pleitte voor een straf die de reeds doorgebrachte detentie niet overschrijdt, mede vanwege de re-integratie van de veroordeelde.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden en de re-integratie van de veroordeelde, en legde een gevangenisstraf van 900 dagen op, waarvan 431 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uur met vervangende hechtenis bij niet-naleving. De tijd in overleveringsdetentie en voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht. De proeftijd is vastgesteld op twee jaar.