De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de lokale rechtbank in Skarżysko-Kamienna. De procedure omvatte meerdere zittingen waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door een advocaat en een Poolse tolk. De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en bevestigde dat het strafbare feit waarvoor overlevering werd verzocht, zowel onder Pools als Nederlands recht strafbaar is, namelijk poging tot oplichting.
De verdediging verzocht meerdere malen om aanhouding van de procedure in afwachting van ontwikkelingen in de Poolse procedure, die was stilgevallen wegens het met pensioen gaan van de behandelend rechter. Dit verzoek werd afgewezen omdat er geen concreet uitzicht was op intrekking van het EAB en de procedure al eerder was aangehouden. Daarnaast voerde de verdediging een evenredigheidsverweer aan op basis van de geringe ernst van het feit en de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, waaronder haar langdurige verblijf in Nederland en de zorg voor een jong kind.
De rechtbank verwierp het evenredigheidsverweer met verwijzing naar eerdere jurisprudentie en het stelsel van het Kaderbesluit, waarin slechts onder bijzondere omstandigheden een beroep op onevenredigheid kan slagen. De rechtbank wees erop dat humanitaire gronden door de officier van justitie kunnen worden meegewogen bij de feitelijke overlevering. Gezien het feit dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en er geen weigeringsgronden zijn, werd de overlevering toegestaan.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 10 december 2013 en is onherroepelijk, aangezien tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.