ECLI:NL:RBAMS:2013:7872
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Officier van justitie niet-ontvankelijk wegens schending vervolgingsbeleid bij bezit van qat
Verdachte werd vervolgd voor het bezit van ongeveer 349,13 gram qat, een middel dat sinds 5 januari 2013 op lijst II van de Opiumwet staat. De verdediging stelde dat verdachte mocht vertrouwen op het vervolgingsbeleid dat bij geringe hoeveelheden softdrugs geen vervolging beoogt, en dat er geen specifiek beleid voor qat bestaat. Tevens werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel omdat een medeverdachte met een vergelijkbare hoeveelheid qat niet werd vervolgd.
De officier van justitie stelde zich ontvankelijk op en verwees naar het ontbreken van een specifieke richtlijn voor qat. De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie slechts in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijk verklaard kan worden, maar dat hier sprake is van een gerechtvaardigd vertrouwen op het vervolgingsbeleid. De Richtlijn Opiumwet softdrugs 5.19 is van toepassing op qat en stelt dat pas bij een hoeveelheid van 1000 gram of meer wordt gedagvaard.
Omdat verdachte minder dan 1000 gram qat bij zich had en geen verzwarende omstandigheden waren aangevoerd, mocht hij erop vertrouwen niet vervolgd te worden. De rechtbank verklaarde daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte wegens bezit van bijna 350 gram qat.