De creditcardmaatschappij ICS vordert betaling van gedaagde voor kasopnamen gedaan met een creditcard die op zijn naam is aangevraagd en naar zijn adres is gestuurd. ICS stelt dat door ingebruikname van de creditcard een overeenkomst tot stand is gekomen. Gedaagde betwist dit en voert aan dat hij de kaart niet heeft aangevraagd of gebruikt, mogelijk slachtoffer van identiteitsfraude.
De rechtbank stelt vast dat ICS de bewijslast draagt voor het bestaan van de overeenkomst in 2009 en dat dit bewijs nog niet is geleverd. ICS heeft onvoldoende onderbouwd dat gedaagde de kaart heeft ontvangen en geactiveerd, mede gezien de thuissituatie van gedaagde waarbij post door thuishulp werd geopend. ICS mag bewijs leveren door stukken of getuigen, waarna de zaak wordt voortgezet.
De rechtbank wijst het beroep op verjaring af en verwerpt het verweer dat ICS de kaart niet had mogen verstrekken vanwege financiële situatie van gedaagde. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering door ICS over het tot stand komen van de overeenkomst en het gebruik van de kaart. Tot die tijd wordt geen inhoudelijke beslissing genomen over de vordering.