Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
1.Procesgang
2.Beoordeling
Bezirksgericht Zürichbij vonnis van 7 mei 2007 in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon heeft opgelegd. Bij vonnis van 14 februari 2012 heeft het
Bezirksgericht Dietikonde voorwaardelijkheid van deze straf herroepen;
Obergericht des Kantons Zürichbij arrest van 12 november 2012 aan de opgeëiste persoon heeft opgelegd. Bij dit arrest is verder bepaald dat de schuldigverklaring en de herroeping van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, zoals uitgesproken bij vonnis van 14 februari 2012 van het
Bezirksgericht Dietikon,in kracht van gewijde zijn gegaan.
BezirksgerichtZürich, waarbij de opgeëiste persoon overeenkomstig deze tenlastelegging schuldig werd verklaard, zij het met een correctie van de in de tenlastelegging aan de feiten gegeven kwalificatie;
BezirksgerichtDietikon, waarbij de opgeëiste persoon in de zaak van de tenlastelegging van 16 november 2010 werd veroordeeld, en
Obergerichtvan het kanton Zürich, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon bij het vonnis van 14 februari 2012 schuldig werd verklaard overeenkomstig de tenlastelegging van 16 november 2010 en dat deze schuldigverklaring in kracht van gewijsde is gegaan.
Obergerichtvan het kanton Zürich is op 18 januari 2013 onherroepelijk geworden. Pagina 6 van dit arrest vermeldt dat de opgeëiste persoon zonder opgaaf van redenen niet is verschenen op de zitting in hoger beroep. Het arrest betreft dus een verstekuitspraak waartegen geen rechtsmiddel openstaat, terwijl er geen garantie op een nieuw proces of op de mogelijkheid van verzet is gegeven. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de zitting/uitspraak van 12 november 2012 en wist niet dat hij binnen 30 dagen na 12 november 2012 een rechtsmiddel kon instellen.
Obergerichtdoet niets af aan het gegeven dat de opgeëiste persoon niet in de gelegenheid is geweest desgewenst een rechtsmiddel tegen het arrest van 12 november 2012 in te stellen. Voor zover al gesteld zou kunnen worden dat de verdediging bij het Obergericht gevoerd is door een aanwezige raadsman, kan zeker niet worden gesteld dat de opgeëiste persoon (of zijn raadsman) in de gelegenheid is geweest tot het instellen van een rechtsmiddel. Uit de stukken blijkt niet van een volmacht tot het voeren van de verdediging in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft een advocaat opdracht gegeven tot het instellen van hoger beroep, maar zo een opdracht brengt naar Nederlandse maatstaven in elk geval niet een machtiging tot het voeren van de verdediging mee, laat staan een machtiging tot het instellen van een rechtsmiddel tegen de uitspraak in hoger beroep.
LJNAE9641, r.o. 3.4). Als zodanig vallen niet aan te merken de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals opgenomen in het vonnis van 14 februari 2012, en de bevestiging van die beslissing in hoger beroep, zoals opgenomen in het arrest van 12 november 2012. Deze beslissingen hebben immers slechts betrekking op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf die al eerder aan de opgeëiste persoon was opgelegd, te weten door het
BezirksgerichtZürich op 7 mei 2007 (vgl. HR 10 december 2012,
LJNAE9641, r.o. 3.4; HR 12 april 1983,
NJ1983, 590, ten aanzien van het Nederlandse voorbehoud bij artikel 1 EUV Pro).
Obergerichtvan het kanton Zürich van 12 november 2012 is in kracht van gewijsde gegaan, maar de opgeëiste persoon heeft het recht om tegen dat arrest in cassatie te gaan.
3.Toepasselijke wetsartikelen
Trb. 1965, 9) en artikel 5 van Pro het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (
Trb. 1979, 120).
4.Beslissing
TOELAATBAARde door Zwitserland verzochte uitlevering van
[opgeëiste persoon]voornoemd ter tenuitvoerlegging van:
Bezirksgericht Zürichvan 7 mei 2007 opgelegde vrijheidsstraf voor de duur van 18 maanden en
Obergerichtvan het kanton Zürich van 12 november 2012opgelegde vrijheidsstraf voor de duur van 22 maanden (met aftrek van 189 dagen reeds doorgebrachte detentie),