Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
vervolgingvan de opgeëiste persoon, in verband met het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Frankrijk strafbaar feit.
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffenaangekruist terwijl in de brief van 29 augustus 2013 wordt gesproken over
“bande organisée”.Dit sluit de mogelijkheid niet uit dat de opgeëiste persoon in Frankrijk ook zal worden vervolgd van deelname aan een criminele organisatie.
et commis en bande organisée”in de brief van 29 augustus 2013 aldus dat de illegale handel in verdovende middelen in georganiseerd verband (met mededaders) is gepleegd. Anders dan de raadsman, leest de rechtbank daarin niet dat de Franse autoriteiten de opgeëiste persoon ook willen vervolgen voor het aparte strafbare feit ‘deelname aan een criminele organisatie’..
4.Strafbaarheid, feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW
- het strafrechtelijk onderzoek is in Frankrijk aangevangen;
- de bewijsmiddelen en de in beslag genomen goederen zijn in Frankrijk aanwezig;
- de mededaders zijn in Frankrijk vervolgd en veroordeeld.
7.Slotsom
8.Toepasselijke wetsbepalingen
9.Beslissing
[opgeëiste persoon]aan de Substituut Openbare Aanklager bij de Rechtbank van Lille ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek in verband met het nog niet onherroepelijke vonnis wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.