ECLI:NL:RBAMS:2013:6030

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 september 2013
Publicatiedatum
19 september 2013
Zaaknummer
AWB-13_2713
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:17 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55c Awb
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing beroep wegens niet tijdig beslissen en vaststelling dwangsom

Eiser heeft bij brief van 16 januari 2013 een verzoek ingediend tot ongedaanmaking van een boeteverhoging. Verweerder, de minister van Veiligheid en Justitie, heeft niet tijdig een besluit genomen op deze aanvraag. Eiser stelde verweerder bij brief van 14 maart 2013 in gebreke en diende vervolgens op 27 mei 2013 beroep in bij de rechtbank wegens het uitblijven van een besluit.

De rechtbank stelt vast dat verweerder uiterlijk op 13 maart 2013 had moeten beslissen, maar dit niet heeft gedaan. Hierdoor is verweerder in gebreke gebleven en is het beroep gegrond. De rechtbank draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van het vonnis alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000.

Daarnaast is vastgesteld dat verweerder vanaf 29 maart 2013 tot en met 12 mei 2013 een dwangsom van in totaal €1.260 heeft verbeurd. De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van wettelijke rente vanaf 7 juli 2013 tot aan voldoening, alsmede tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en redelijke proceskosten. Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot nakoming en schadevergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen en een dwangsom te betalen bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 13/2713
uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Awb van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],wonende te[woonplaats], eiser
(gemachtigde: D.J.H. Dijkstra),
en
de minister van Veiligheid en Justitie,verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 27 mei 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag.
De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Overwegingen

1.
Feiten en omstandigheden
1.1.
Bij brief van 16 januari 2013 heeft eiser bij verweerders Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) een verzoek gedaan tot ongedaanmaking van een verhoging van een boete.
1.2.
Bij brief van 14 maart 2013 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van besluit op de aanvraag van 16 januari 2013.
1.3.
Bij beroepschrift van 27 mei 2013 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag van 16 januari 2013. Eiser heeft daarbij de rechtbank verzocht verweerder op te dragen alsnog een besluit te nemen. Verder heeft eiser de rechtbank verzocht vast te stellen dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een besluit, vermeerderd met de wettelijke rente. Tot slot heeft eiser verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.
1.4.
De griffier van deze rechtbank heeft partijen bij brief van 29 mei 2013 medegedeeld dat het beroep met inachtneming van artikel 8:52 van Pro de Awb versneld wordt behandeld. Vervolgens heeft de rechtbank toepassing gegeven aan artikel 8:54 van Pro de Awb.
2.
Wettelijk kader
2.1.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
2.2.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb bepaalt dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en;
twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
2.3.
In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
In het tweede lid is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 20, - per dag bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 30, - per dag en de overige dagen € 40, - per dag.
Op grond van het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
2.4.
Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2.5.
Artikel 8:55c van de Awb bepaalt dat de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb verbeurde dwangsom vaststelt.
2.6.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
In het tweede lid is bepaald dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
3.
Inhoudelijke beoordeling
3.1.
De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser gericht is tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit op eisers aanvraag van 16 januari 2013. Eiser meent dat verweerder niet tijdig een besluit op de aanvraag heeft genomen en dat verweerder om die reden een dwangsom is verschuldigd.
3.2.
De rechtbank stelt verder vast dat een bestuursorgaan op grond van artikel 4:13 van Pro de Awb binnen acht weken beslist op een aanvraag. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 13 maart 2013 een besluit op eisers aanvraag had moeten nemen. Na het verstrijken van deze termijn heeft eiser verweerder bij brief van 14 maart 2013 in gebreke gesteld en verweerder een termijn van twee weken gegeven om alsnog een beschikking af te geven. Dit betekent dat verweerder tot en met 28 maart 2013 het besluit kon nemen zonder een dwangsom te verbeuren. De rechtbank stelt vast dat eiser het onderhavige beroep heeft ingesteld bij brief van 27 mei 2013. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is voldaan. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder tot op de dag van deze uitspraak geen, althans niet aan de rechtbank kenbaar gemaakt, besluit op eisers aanvraag heeft genomen.
3.3.
Nu niet tijdig op de aanvraag is beschikt, is het beroep naar het oordeel van de rechtbank kennelijk gegrond.
3.4.
Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Onder toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb zal de rechtbank voorts bepalen dat verweerder een dwangsom van € 100, - verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000, -.
3.5.
Nu verweerder de ingebrekestelling op 14 maart 2013 heeft ontvangen, heeft verweerder vanaf 29 maart 2013 de volgende dwangsom verbeurd:
- de eerste veertien dagen (29 maart 2013 tot en met 12 april 2013) € 20, - per dag is € 280, -;
- de daaropvolgende veertien dagen (13 april 2013 tot en met 27 april 2013) € 30, - per dag is € 420, -;
- de daaropvolgende veertien dagen (28 april 2013 tot en met 12 mei 2013) € 40, - per dag is € 560, -.
De door verweerder verbeurde dwangsom beloopt daarmee in totaal € 1.260, -.
3.6.
De door eiser gevorderde wettelijke rente is op grond van artikel 4:97 in Pro samenhang met artikel 4:98 van Pro de Awb verschuldigd vanaf de datum dat verweerder in verzuim is. Verweerder is in verzuim ingevolge artikel 4:100 in Pro samenhang met 4:18, tweede lid, van de Awb vanaf zes weken na de laatste dag dat verweerder bij beschikking de vaststelling en hoogte van de dwangsom bekend zou hebben moeten maken. Die bekendmaking is op grond van artikel 4:18, eerste lid, van de Awb bepaald op uiterlijk twee weken na de laatste dag dat de dwangsom verschuldigd was. Het voorgaande in samenhang bezien maakt dat verweerder in verzuim is – en daarmee wettelijke rente is verschuldigd – vanaf acht weken na de laatste dag dat de dwangsom was verschuldigd. De rechtbank stelt vast dat 12 mei 2013de laatste dag was waarop verweerder een dwangsom verschuldigd was. De wettelijke rente is daarmee verschuldigd vanaf 7 juli 2013, zijnde acht weken na 12 mei 2013, tot en met de dag der voldoening. Het verzoek tot vergoeding van schade bestaande uit de wettelijke rente wordt, gezien het voorgaande, toegewezen.
3.7.
Nu het beroep gegrond verklaard wordt, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
3.8.
De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 118, - (één punt voor het beroepschrift ter waarde van € 472, - maal wegingsfactor 0,25) als kosten van verleende rechtsbijstand. Deze zaak is van zeer gering gewicht, nu dit geding slechts betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn van artikel 4:13 van Pro de Awb is overschreden en ter hoogte van welk bedrag dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17 van Pro die wet zijn verbeurd.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvraag gegrond;
- draagt verweerder op alsnog een besluit te nemen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100, - verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op de aanvraag een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 1.260, - (zegge: duizend tweehonderd en zestig euro);
- veroordeelt verweerder tot betaling van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente als weergegeven in overweging 3.6. van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 160, - (zegge: honderdzestig euro) aan hem vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 118, - (zegge: honderdachttien euro), te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Looij, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2013.
de griffier
de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.
Afschrift verzonden op:
D: C