Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Vonnis van de kantonrechter
[eiser]
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
GRONDEN VAN DE BESLISSING
BESLISSING
20 augustus 2013voor akte uitlating aan de zijde van de Stichtingen over hetgeen hiervoor in r.ov. 11 is overwogen;
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een procedure tussen een opposant en twee stichtingen die premies vorderen. De opposant was in staat van faillissement verklaard na het verstekvonnis, maar kwam in verzet tegen dat vonnis met een verzetsdagvaarding die niet op correcte wijze was betekend.
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding aan het adres van de incassogemachtigde is betekend, wat niet voldoet aan artikel 63 Rv Pro, waardoor de verzetsdagvaarding nietigheid oplevert volgens artikel 120 Rv Pro. Echter, omdat de stichtingen tijdig hebben gereageerd en niet is gebleken dat zij onredelijk zijn geschaad, wordt de nietigheid niet uitgesproken.
Verder oordeelt de rechtbank dat het faillissement van de opposant niet verhindert dat hij in verzet komt tegen het verstekvonnis. Artikel 28 Faillissementswet Pro is van toepassing, waardoor de procedure kan worden voortgezet of geschorst om de curator te betrekken.
De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor een uitlating van de stichtingen over het al dan niet schorsen van de procedure en houdt verdere beslissing aan.
Uitkomst: De nietigheid van de verzetsdagvaarding wordt niet uitgesproken en het faillissement staat het verzet niet in de weg; verdere beslissing wordt aangehouden.