ECLI:NL:RBAMS:2012:BY2236
Rechtbank Amsterdam
- Wraking
- N.C.H. Blankevoort
- T.P.J. de Graaf
- P.H.A. Knol
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters rechtbank Amsterdam in strafzaak
Verzoeker, verdachte in een strafzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters van de rechtbank Amsterdam die de zaak behandelden. Hij stelde dat de rechters als verlengstuk van de rechtbank Alkmaar fungeerden, waartegen hij vanwege schijn van partijdigheid bezwaar had gemaakt, en dat kinderrechters zijn zaak niet mochten behandelen vanwege betrokkenheid bij jeugdzorgproblemen.
De rechters ontkenden enige betrokkenheid bij eerdere zaken van verzoeker en verklaarden geen relatie met de rechtbank Alkmaar te hebben, anders dan de wettelijke aanstelling als rechter-plaatsvervanger. Het openbaar ministerie stelde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond en dat de bezwaren vooral betrekking hadden op de bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van het OM.
De wrakingskamer oordeelde dat het feit dat verzoeker werd gedagvaard voor de rechtbank Alkmaar, zittinghoudende te Amsterdam, begrijpelijk tot verwarring kon leiden maar geen grond vormde voor wraking. Er was geen aanwijzing dat de rechters partijdig waren of de schijn daarvan hadden gewekt. Ook de vraag naar de levensovertuiging van de rechters werd als irrelevant beschouwd.
De rechtbank wees het wrakingsverzoek daarom af. De procedure werd gevoerd in aanwezigheid van verzoeker, zijn raadsvrouw, de rechters en het openbaar ministerie. De zaak betrof ernstige tenlasteleggingen waaronder bedreiging, mishandeling en inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De zaak was overgedragen van Alkmaar aan Haarlem en vervolgens aan Amsterdam, waarbij voorlopige hechtenis en gevangenhouding aan de orde waren geweest.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.