ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1352

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
CV11-5517
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 BWArt. 7:268 BWArt. 6:157 BWArt. 6:158 BWArt. 6:159 BW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voortzetting huurovereenkomst door meerderjarig kind na overlijden medehuurder

De zaak betreft een geschil over de voortzetting van een huurovereenkomst na het overlijden van de moeder, die samen met de vader huurder was van een woning te Amsterdam. De moeder is in 2010 overleden, waarna het meerderjarig kind verzocht de huurovereenkomst voort te zetten op zijn naam op grond van artikel 7:268 BW Pro.

De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst met beide ouders is aangegaan en dat de vader, ondanks dat hij de woning in 1997/1998 heeft verlaten, nog steeds huurder is omdat de verhuurder niet heeft ingestemd met zijn vertrek uit de overeenkomst. Hierdoor wordt de huurovereenkomst voortgezet op naam van de vader.

Omdat de huurovereenkomst niet alleen op naam van de moeder stond en de vader als medehuurder de overeenkomst voortzet, is artikel 7:268 BW Pro niet van toepassing. Het meerderjarig kind kan daarom niet vorderen dat de huurovereenkomst op zijn naam wordt voortgezet. Ook andere vorderingen zoals medehuur of contractsovername zijn niet ingediend, zodat daarover niet wordt beslist.

De kantonrechter wijst het verzoek van het kind af en veroordeelt hem in de proceskosten van de tegenpartij.

Uitkomst: Verzoek tot voortzetting huurovereenkomst door meerderjarig kind na overlijden moeder wordt afgewezen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Kanton
Locatie Amsterdam
Rolnummer: 1225821 CV 11-5517
Vonnis van: 23 oktober 2012
F.no.: 497
Vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eiser
nader te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. I.E. Hofhuis
t e g e n
1. [gedaagde I]
2. [gedaagde II]
beiden wonende te [woonplaats]
gedaagden
nader te noemen: [gedaagden]
gemachtigde: mr. B. Külbs
VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Bij tussenvonnis van 8 november 2011 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, welke op 22 december 2011 is gehouden. Bij die gelegenheid is [eiser], vergezeld van zijn vader en bijgestaan door zijn gemachtigde, verschenen. [gedaagde I] is vergezeld van zijn gemachtigde eveneens verschenen. Voorafgaande aan de comparitie van partijen heeft [eiser] aanvullende producties toegezonden, welke ter zitting zijn overgelegd. [gedaagden] hebben ter zitting een e-mail van 21 december 2011 overgelegd. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting aantekeningen gemaakt, welke aan het dossier zijn toegevoegd. In het proces-verbaal van die comparitie van partijen zijn de ter zitting gemaakte afspraken vastgelegd, waarna de volgende processtukken zijn genomen:
- namens [gedaagden] een akte met producties;
- namens [eiser] akte houdende uitlating producties.
[gedaagden] hebben op de daartoe aangewezen rolzitting geen akte uitlating producties genomen, waarna de zaak is verwezen voor vonnis.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
1.In het tussenvonnis van 8 november 2011 heeft de kantonrechter de feiten vastgesteld, de vordering weergegeven en het verweer samengevat. Voorts zijn in dat tussenvonnis enige vragen opgenomen, welke op de comparitie van partijen aan de orde zijn gekomen.
2.De feitelijke achtergrond van het geschil is kort gezegd de navolgende. [vader eiser] en [moeder eiser] zijn met ingang van 1 februari 1979 van (de rechtsvoorgangsters van) [gedaagden] gaan huren de woning aan het [aders] te Amsterdam tegen een huurprijs van thans (in 2011) € 252,31 per maand. In of omstreeks 1997/1998 heeft [vader eiser] de woning verlaten. [moeder van eiser] is met haar zoon [eiser] in de woning blijven wonen. De huurprijs is steeds betaald vanaf een bankrekening die op naam staat van [ouders eiser]. Omstreeks 2000/2001 is de gezondheidssituatie van [moeder eiser] verslechterd. Zij heeft onder meer geleden aan de ziekte van Meniere en artrose en in 2007 is bij haar kanker geconstateerd. [moeder van eiser] is op 5 augustus 2010 overleden.
[eiser] vordert voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 BW Pro.
3.[gedaagden] voeren onder meer aan dat [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat de vordering dient te worden afgewezen omdat na het overlijden van [moeder van eiser] de huurovereenkomst is voortgezet door de medecontractant [vader van eiser]. In dit geval mist artikel 7:268 BW Pro toepassing.
4.De kantonrechter stelt voorop dat de huurovereenkomst is aangegaan met [ouders van eiser]. [vader eiser] heeft weliswaar al lange tijd geleden het gehuurde verlaten, maar niet gesteld of gebleken is dat de (toenmalige) verhuurder ermee heeft ingestemd dat [vader van eiser] niet langer huurder is, zodat de huurovereenkomst door alleen [moeder eiser] werd voortgezet. Dit betekent dat [vader van eiser] nog steeds huurder is. [gedaagden] beschouwen [vader eiser] ook nog steeds als hun huurder.
5.Het voorgaande heeft tot gevolg dat [eiser] niet op grond van artikel 7:268 BW Pro kan vorderen dat de thans op naam van [vader van eiser] staande huurovereenkomst (mede) op zijn naam wordt voortgezet. Een vordering tot medehuur op grond van artikel 7:267 BW Pro of een vordering tot contractsovername op grond van artikel 6:157-6:159 BW is niet ingediend – daargelaten de vraag of aan de criteria tot medehuur of contractsovername is voldaan - , zodat daarop niet behoeft te worden beslist.
6.Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen en dat [eiser]. deswege in de proceskosten wordt veroordeeld.
BESLISSING
De kantonrechter:
I.wijst de vordering af;
II.veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde [gedaagden] gevallen, welke worden begroot op € 375,00 wegens salaris gemachtigde;
III.verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door D.H. de Witte, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.