ECLI:NL:RBAMS:2012:BV7986
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- S.A. Krenning
- N.J. Koene
- H.M. van Niftrik
- Rechtspraak.nl
Weigering overlevering voor bezit verdovende middelen wegens ne bis in idem, overige feiten toegestaan
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een persoon aan Frankrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) voor deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen.
De verdediging voerde aan dat overlevering moest worden geweigerd wegens ne bis in idem, omdat de verdachte eerder in Nederland was vervolgd voor het bezit van harddrugs, maar de zaak was geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. De rechtbank oordeelde dat de sepotbeslissing niet gelijk stond aan een onherroepelijke rechterlijke beslissing, maar dat het beginsel van ne bis in idem toch van toepassing was op het bezit van 600 gram heroïne dat op 12 maart 2010 in Rotterdam was aangetroffen.
De rechtbank stelde vast dat de feiten waarvoor de Franse autoriteiten overlevering verzoeken grotendeels betrekking hebben op een breder feitencomplex van drugshandel en deelname aan een criminele organisatie in de periode maart tot september 2010, die niet gelijk zijn aan het feit waarvoor in Nederland de vervolging werd gestaakt. Daarom werd de overlevering voor dat feitencomplex toegestaan, maar niet voor het bezit van de heroïne in Rotterdam.
Verder oordeelde de rechtbank dat de overlevering niet kon worden geweigerd op grond van het feit dat de feiten deels op Nederlands grondgebied waren gepleegd, omdat de officier van justitie had verzocht af te zien van deze weigeringsgrond. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldeed en stond de overlevering toe, met uitzondering van het bezit van de verdovende middelen op 12 maart 2010.
Uitkomst: Overlevering wordt toegestaan voor de Franse drugshandel feiten, maar geweigerd voor het bezit van 600 gram heroïne wegens ne bis in idem.