ECLI:NL:RBAMS:2012:BV3833
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsverwerking en beëindigingsvergoeding na ontslag op staande voet bij faillissement NMO
De zaak betreft een geschil tussen [A], voormalig algemeen directeur van de Stichting Nederlandse Moslimomroep (NMO), en de curator in het faillissement van de NMO. [A] werd op 4 juli 2007 op staande voet ontslagen wegens vermeende valsheid in geschrifte. Het ontslag werd in kort geding voorlopig niet erkend, waarna de arbeidsovereenkomst per 1 april 2008 door ontbinding werd beëindigd. [A] vordert betaling van salaris en een beëindigingsvergoeding conform artikel 8 van Pro zijn arbeidsovereenkomst tot 1 december 2010.
De curator betwist de vorderingen en stelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was, waardoor de betalingen onverschuldigd zijn en teruggevorderd kunnen worden. Tevens betwist de curator pensioenverplichtingen en diverse financiële vorderingen van [A].
De rechtbank oordeelt dat de NMO en curator hun recht om het ontslag op staande voet te betwisten niet tijdig hebben uitgeoefend, waardoor sprake is van rechtsverwerking. Hierdoor is het onaanvaardbaar dat de curator de reeds betaalde bedragen terugvordert. De arbeidsovereenkomst wordt geacht te zijn geëindigd per ontbinding op 1 april 2008, waarna [A] recht heeft op de overeengekomen beëindigingsvergoeding inclusief indexering. Daarnaast worden diverse vorderingen van [A] erkend, zoals niet-genoten vakantiedagen en onterecht ingehouden telefoonkosten en verkeersboetes. De curator wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten, terwijl een deel van de vorderingen van de curator wordt afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van [A] toe en erkent zijn preferente en concurrente vorderingen, terwijl de curator niet kan terugvorderen wegens rechtsverwerking.