ECLI:NL:RBAMS:2012:BV1119
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toestemming overlevering verdachte drugshandel Frankrijk ondanks verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 januari 2012 de vordering tot overlevering van een Algerijnse verdachte aan Frankrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Franse autoriteiten. De verdachte wordt verdacht van het leveren van grote hoeveelheden heroïne en cocaïne aan Franse drugshandelaars in de periode 2009-2011.
De verdediging voerde aan dat de omschrijving van de verdenking onvoldoende was en dat de verdachte in aanmerking kwam voor een terugkeer- en omzettingsgarantie op grond van artikel 6 lid 5 OLW Pro, omdat hij sinds 2002 rechtmatig in Nederland verbleef en feitelijk binding had door het gezag over zijn minderjarige dochter. De rechtbank oordeelde echter dat het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd een constitutief vereiste is voor toepassing van deze weigeringsgrond, en de verdachte deze vergunning niet heeft.
De rechtbank stelde vast dat de feiten voldoende concreet waren omschreven en dat de identiteit van de verdachte met de persoon in het EAB overeenkomt. De strafbare feiten vallen onder bijlage 1 van de OLW en zijn strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar. De facultatieve weigeringsgrond van artikel 6 lid 5 OLW Pro werd verworpen en ook de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 onder Pro a OLW werd door de officier van justitie gemarginaliseerd. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Frankrijk toe ondanks het ontbreken van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.