ECLI:NL:RBAMS:2011:BY1997

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HA RK 11-379
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 515 lid 5 SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen jongste rechter in strafzaak wegens vermeende vooringenomenheid

In deze zaak verzocht de verdachte tot wraking van de jongste rechter van een meervoudige strafkamer, omdat deze rechter naar zijn mening reeds een definitief oordeel had gevormd over de herkenning door buurtregisseurs en de DNA-match op een hamer, wat volgens de verdachte wijst op vooringenomenheid.

De rechter heeft gemotiveerd betwist dat er sprake is van vooringenomenheid en stelde dat de rechtbank slechts heeft bevestigd dat er ernstige bezwaren zijn voor voorlopige hechtenis, zonder definitief oordeel over de bewijswaarde van de herkenning en DNA-match. Verder was het onderzoek nog niet afgerond en zouden getuigen nog worden gehoord.

De wrakingskamer oordeelde dat de in het proces-verbaal genoemde gronden niet als definitief oordeel kunnen worden gezien en dat er geen objectieve rechtvaardiging bestaat voor de vrees van vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen.

De beslissing werd genomen door de wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam op 2 december 2011 en is niet vatbaar voor beroep.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de jongste rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Beschikking op het op 11 november 2011 ingekomen en onder rekestnummer
HA RK 11-379 ingeschreven ver¬zoek van:
[ ],
wonende te [ ],
verzoeker,
raadsman mr. H.C. Meijer
welk verzoek strekt tot wraking van mr. [ ], rechter, belast met de behandeling van strafzaken te Amsterdam, hierna: de rechter.
Verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
- het verzoekschrift met bijlage van 11 november 2011;
- de reactie van de officier van justitie mr. [ ] (hierna: OvJ) van 16 november 2011;
- de reactie van de rechter van 17 november 2011.
De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.
Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 25 november 2011, alwaar de raadsman en de rechter zijn gehoord.
1. De feiten
Uitgegaan wordt van de volgende feiten:
a) Verzoeker is verdachte in een strafzaak geregistreerd onder parketnummer [ ].
b) De strafzaak is behandeld op een pro-forma zitting van de meervoudige strafka-mer op 16 september 2011. De rechter nam hieraan als jongste rechter deel.
c) De strafgriffie heeft bekend gemaakt dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak door een meervoudige kamer bestaande uit drie bij naam genoemde rechters onder wie de rechter, gepland staat op 14 november 2011.
2. Het verzoek en de gronden daarvan
Verzoeker stelt als gronden voor het verzoek tot wraking dat de rechter deel uitmaak-te van de meervoudige strafkamer van 16 september 2011 die daarbij ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat verzoeker door de buurtregisseurs is herkend en dat zijn DNA is aangetroffen op de hamer die is gevonden op de plaats delict. Er is ech-ter hooguit sprake van een indicatieve herkenning. Op de hamer is een mengprofiel gevonden van meerdere personen en een van die personen zou verzoeker kunnen zijn. Deze strafkamer heeft daarmee op voorhand al beslist over feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vragen van de artt. 348 en 350 Wetboek van Strafvordering (Sv). Gelet daarop meent verzoeker dat er sprake is van een zwaarwe-gende aanwijzing dat de leden van deze strafkamer, onder wie de rechter jegens hem een vooringenomenheid koesteren, althans dat de daarvoor bij hem bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3. De reactie van de rechter
De rechter heeft gemotiveerd bestreden dat sprake is van vooringenomenheid zoals bedoeld door verzoeker. Voor zover van belang zal hierop hierna nader worden ingegaan.
4. De beoordeling van het verzoek
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 512 Sv Pro kan op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2 Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlij-ke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Hierbij is de visie van verzoeker wel belangrijk, maar niet beslissend. De rechtbank zal het wrakingsverzoek dan ook aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf beoorde-len.
4.3 Aan de onpartijdigheid van de rechter wordt door verzoeker getwijfeld omdat volgens verzoeker uit het proces-verbaal van de zitting van 16 september 2011 blijkt dat de rechtbank als vaststaand heeft aangenomen dat: a. verzoeker door de buurtre-gisseurs is herkend en b. het DNA van verzoeker is aangetroffen op de hamer die is gevonden op de plaats delict.
4.4 De rechter heeft meegedeeld dat de conclusie die verzoeker uit het proces-verbaal trekt onjuist is. De rechtbank heeft slechts de vraag of de ernstige bezwaren en de gronden die ten grondslag liggen aan het bevel tot voorlopige hechtenis nog aan-wezig zijn bevestigend beantwoord. Dat de rechtbank daarbij heeft gerefereerd aan de in het dossier gerelateerde DNA-match en de herkenning van verzoeker betekent niet dat de rechtbank reeds een definitief oordeel heeft over de bewijskracht en –waarde van die potentiële bewijsmiddelen. Ter adstructie heeft de rechter verwezen naar de zinsnede in het proces-verbaal ‘Op dit moment is dat voldoende voor het aannemen van ernstige bezwaren.’ Voorts heeft zij erop gewezen dat uit het proces-verbaal blijkt dat het onderzoek jegens verdacht op 16 september 2011 nog geenszins was afgerond en dat onder andere de buurtregisseur die verdachte zou hebben herkend en de deskundige van het NFI nog zouden worden gehoord. Ook hieruit blijkt dat de rechtbank de herkenning door de buurtregisseur en de DNA-match op 16 september j.l. nog niet als vaststaande feiten heeft aangenomen, aldus de rechter.
4.5 De wrakingskamer is gelet op voorgaande toelichting, bezien in samenhang met de inhoud van het proces-verbaal van oordeel dat de in het proces-verbaal verwoorde gronden voor afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis niet als een definitief oordeel ten aanzien van de herkenning en de DNA-match kunnen worden gelezen.
4.6 Vorenstaande leidt tot de conclusie dat in hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen objectieve rechtvaardiging is te vinden dat zich hier een omstandigheid voor-doet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor de vrees dat de rechter voorin-genomen is of dat het haar aan onpartijdigheid ontbreekt. Het verzoek tot wraking van de rechter dient dan ook te worden afgewezen.
4.7 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING:
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mrs. S.P. Pompe en C.M. Degenaar, leden en uitge¬spro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van 2 december 2011 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.
Tegen deze beslissing staat ingevolge artikel 515 lid 5 Sv Pro geen voorziening open.