ECLI:NL:RBAMS:2011:BW8406
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over beëindiging en schadevergoeding bij outsourcingovereenkomst tussen bank en IT-dienstverlener
Partijen sloten in 2005 een outsourcingovereenkomst waarbij Ordina de backofficeprocessen van bank [X] zou uitvoeren. In 2009 ontstond onenigheid over de voortzetting van de overeenkomst na een overname van Ordina door Centric. Ordina stelde dat [X] de overeenkomst op 23 april 2009 mondeling 'for convenience' had opgezegd met een opzegtermijn van zes maanden, wat een schadevergoeding van ruim 4,4 miljoen euro zou veroorzaken.
[X] betwistte de opzegging en stelde dat zij de overeenkomst niet 'for convenience' had beëindigd, maar mogelijk 'for cause' wegens tekortkomingen van Ordina. De rechtbank onderzocht of een mondelinge opzegging rechtsgeldig kon zijn en concludeerde dat het schriftelijkheidsvereiste vooral bewijsrechtelijk bedoeld is, waardoor een mondelinge opzegging onder omstandigheden mogelijk is.
De verklaringen van partijen over de bijeenkomst van 23 april 2009 waren tegenstrijdig. De rechtbank vond de verklaringen onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van een geldige opzegging 'for convenience'. Ook was het niet aannemelijk dat [X] de overeenkomst wilde beëindigen met de verplichting tot een substantiële vergoeding. Daarom wees de rechtbank de vordering van Ordina af en veroordeelde Ordina tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Ordina af en veroordeelt haar in de proceskosten.