ECLI:NL:RBAMS:2011:BU9803
Rechtbank Amsterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot wraking rechter wegens vermeende partijdigheid
Verzoeker diende een schriftelijk verzoek tot wraking in tegen de kantonrechter die zijn zaak behandelde, met klachten over vermeend partijdig gedrag tijdens een comparitie. Hij stelde dat de rechter stukken van de wederpartij ten onrechte niet buiten beschouwing had gelaten, hem en zijn raadsman in de rede viel, en een tunnelvisie had met uitlatingen die de schijn van partijdigheid wekten.
De rechtbank onderzocht het verzoek op ontvankelijkheid en inhoudelijk op grond van artikel 36 Rv Pro. Uit de griffieraantekeningen bleek dat de rechter kritisch vragen stelde aan beide partijen en hen voldoende gelegenheid gaf tot spreken en dupliek. De rechter gaf een voorlopige visie op basis van het dossier en de mondelinge behandeling, wat niet onpartijdigheid schaadt.
De rechtbank oordeelde dat de aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om de schijn van partijdigheid te rechtvaardigen. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen. De procedure werd hervat in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van het verzoek.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter is afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.