ECLI:NL:RBAMS:2011:BU2123
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.M.C. van den Berg
- W.H. van Benthem
- M.C.J. Rozijn
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overleveringsverzoek op grond van Europees aanhoudingsbevel bij zedenmisdrijven met verjaringsvraag
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Magistrates’ Court te Ipswich, Groot-Brittannië, gericht tegen een tot Nederlander genaturaliseerde Brit. Het EAB betrof achttien zedenfeiten gepleegd in de jaren 1977 en 1980.
De kernvraag was of Nederland rechtsmacht kon uitoefenen over de feiten waarvoor overlevering werd gevraagd en of de overlevering op grond van de Overleveringswet (OLW) kon worden toegestaan. De rechtbank stelde vast dat de feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn, maar dat delen van de feiten naar Nederlands recht zijn verjaard, terwijl dit naar Brits recht niet het geval is.
De rechtbank oordeelde dat overlevering toelaatbaar is voor de feiten die onder artikel 247 Wetboek Pro van Strafrecht vallen (betasten van een jongen) en die niet verjaard zijn, maar dat overlevering voor het feit van seksueel binnendringen (artikel 244 WvSr Pro) uit 1980 moet worden geweigerd vanwege verjaring volgens Nederlands recht. Het verweer dat de ouderdom van de feiten de waarheidsvinding belemmert werd verworpen. Tevens werd erkend dat de opgeëiste persoon specialistische medische zorg kan ontvangen in Groot-Brittannië.
De rechtbank besloot de overlevering toe te staan voor het eerste feitencomplex uit 1977 en een deel van het tweede feitencomplex uit 1980, en te weigeren voor het binnendringingsfeit uit 1980. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Overlevering wordt toegestaan voor de zedenfeiten uit 1977 en een deel van 1980, maar geweigerd voor het feit van seksueel binnendringen uit 1980 wegens verjaring onder Nederlands recht.