ECLI:NL:RBAMS:2011:BT8980
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.N. Maris
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in verzet tegen verstekvonnis wegens te late dagvaarding
Arg c.s. vorderde betaling van een bedrag van EUR 10.623,72 van [D], waarop bij verstekvonnis van 29 september 2010 grotendeels aan haar werd toegewezen. [D] stelde verzet in tegen het verstekvonnis en vorderde onder meer ontheffing van de veroordeling en terugbetaling van het geëxecuteerde bedrag.
De kern van het geschil betrof de vraag of het verzet tijdig was ingesteld. De rechtbank oordeelde dat de verzettermijn aanving op het moment dat het vonnis ten uitvoer werd gelegd, namelijk toen de deurwaarder het toegewezen bedrag op 22 december 2010 aan Arg c.s. overmaakte. De verzetdagvaarding werd pas op 27 januari 2011 betekend, wat na het verstrijken van de vier weken termijn was.
Hoewel [D] aanvoerde dat zij pas op 30 december 2010 bekend werd met het verstekvonnis en een beroep deed op artikel 6 EVRM Pro, verwierp de rechtbank dit beroep omdat de inleidende dagvaarding wel persoonlijk was betekend. De rechtbank vond dat [D] voldoende gelegenheid had om tijdig verzet te doen.
Daarom verklaarde de rechtbank [D] niet-ontvankelijk in het verzet en veroordeelde haar in de kosten van de verzetprocedure.
Uitkomst: De rechtbank verklaart [D] niet-ontvankelijk in het verzet wegens overschrijding van de verzettermijn en veroordeelt haar in de kosten van de verzetprocedure.