ECLI:NL:RBAMS:2011:BT2020
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijk recht bij vordering tegen bestuurder stichting
De stichting Chai vordert dat bestuurder [A] wordt veroordeeld wegens tekortschieten in zijn zorgplicht en taakvervulling, met als grondslag een overeenkomst van opdracht en bestuurdersaansprakelijkheid. De primaire vordering betreft een verbintenis uit overeenkomst van opdracht, waarbij de verplichting tot verantwoording afleggen centraal staat. De subsidiaire vordering betreft tekortkoming als bestuurder volgens Nederlands recht.
De rechtbank onderzoekt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht. Omdat de kenmerkende prestatie van de overeenkomst in Israël plaatsvond, is Israëlisch recht van toepassing op de primaire vordering. De Nederlandse rechter is alleen bevoegd als volgens Israëlisch recht de verplichting tot verantwoording ook in Nederland moet worden uitgevoerd. Voor de subsidiaire vordering geldt Nederlands recht, en de Nederlandse rechter is bevoegd.
De rechtbank gelast een comparitie om de bevoegdheid verder te onderzoeken en de inhoudelijke aspecten te bespreken, met mogelijkheid tot minnelijke regeling. Partijen moeten schriftelijk hun standpunt over de toepasselijkheid van Israëlisch recht en de uitvoeringsplaats van de verplichting indienen. De procedure wordt aangehouden voor nadere beslissing.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd voor de subsidiaire vordering en houdt de beslissing over de primaire vordering aan voor nadere toelichting en comparitie.