ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ7810

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10-3519 WW44
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 WoningwetArt. 4.1 Bouwverordening gemeente LarenArt. 44 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bouwvergunning niet verplicht bij privaatrechtelijke belemmering in afwachting civiele uitspraak

Eiser stelde beroep in tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders om de bouwvergunning voor het vergroten van een woonhuis niet in te trekken, ondanks dat het bouwplan in strijd is met een erfdienstbaarheid die het uitzicht beschermt. De vergunninghouder kan het bouwplan daardoor niet realiseren.

Het college beriep zich op artikel 59 van Pro de Woningwet, waarin is bepaald dat intrekking van een bouwvergunning een bevoegdheid is, geen verplichting. De rechtbank overwoog dat de vraag of sprake is van een privaatrechtelijke belemmering voor het gebruik van de vergunning voorbehouden is aan de civiele rechter, die hierover nog in hoger beroep beslist.

De rechtbank concludeerde dat het college in redelijkheid het besluit tot intrekking mag opschorten totdat de civiele rechter definitief heeft geoordeeld. Omdat het bouwplan niet wordt uitgevoerd en een dwangsom is opgelegd, leidt dit niet tot schade voor eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot niet-intrekking van de bouwvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 10/3519 WW44
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. C.E. Houtkooper,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats],
verweerder,
gemachtigde: mr. F.R.M. van Lent.
Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:
[vergunninghouder],
wonende te [woonplaats],
vergunninghouder.
Procesverloop
Bij brief van 3 december 2009, verzonden op 4 december 2009, heeft verweerder, voor zover thans van belang, medegedeeld op dit moment niet te willen overgaan tot intrekking van de aan vergunninghouder verleende bouwvergunning voor het gedeeltelijk vergroten van het woonhuis op het perceel aan de [adres] te [woonplaats].
Bij besluit van 13 juni 2010, verzonden op 17 juni 2010, heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 3 december 2009, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard (bestreden besluit).
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2011.
Eiser en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is ter zitting verschenen.
Overwegingen
1. De aan vergunninghouder verleende bouwvergunning is onherroepelijk.
2.1. In artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is, voor zover van belang, bepaald dat burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk kunnen intrekken indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden.
2.2. In artikel 4.1 van de bouwverordening van de gemeente Laren is het volgende bepaald:
Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel 59 van Pro de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de
bouwwerkzaamheden is gemaakt;
b tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.
3.1. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder de bouwvergunning moet intrekken, omdat de werkzaamheden langer dan 26 weken stilliggen. Vergunninghouder kan het bouwplan niet verwezenlijken omdat het bouwplan in strijd is met een ten laste van zijn perceel gevestigde erfdienstbaarheid. Er is dus sprake van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter. De civiele rechter heeft bij vonnis van 9 juni 2010 de vorderingen van vergunninghouder afgewezen, omdat de erfdienstbaarheid van uitzicht, gevestigd bij notariële akte van 1 mei 1886, nog steeds bestaat. Deze erfdienstbaarheid houdt in dat de percelen van vergunninghouder worden belast met een erfdienstbaarheid dat daarop nooit een gebouw gesticht of geplaatst mag worden dat het uitzicht van het op perceel van eiser gelegen herenhuis cum annexis belemmert.
3.2. Verweerder heeft aangegeven dat de intrekking van de bouwvergunning gelet op het bepaalde in artikel 59 van Pro de Woningwet geen verplichting is maar een bevoegdheid. Conform vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 april 2007, LJN BA2250) moeten bij gebruik van deze bevoegdheid alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daarbij kunnen feitelijke en privaatrechtelijke omstandigheden, die een mogelijke belemmering kunnen vormen voor het feitelijk gebruik maken van de bouwvergunning, relevante belangen zijn. Van een privaatrechtelijke belemmering als hier bedoeld is slechts sprake wanneer die belemmering evident is. Dat bij het verlenen van een bouwvergunning, gelet op het limitatieve karakter van artikel 44 van Pro de Woningwet, geen plaats is voor een afweging van belangen, betekent dus niet dat daarvoor evenmin plaats is bij beantwoording van de vraag of van de bevoegdheid tot intrekken van een bouwvergunning gebruik wordt gemaakt.
3.3. De vraag of sprake is van een privaatrechtelijke belemmering is volgens verweerder voorbehouden aan de civiele rechter. De bodemprocedure bij de civiele rechter loopt nog omdat tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld bij het gerechtshof. Verweerder wil het besluit over de bouwvergunning opschorten tot de eindbeslissing van de civiele rechter. Op dit moment is nog geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering.
3.4. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bouwvergunning voor het eindoordeel van de civiele rechter. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat vergunninghouder als gevolg van een vonnis in kort geding niet mag bouwen op straffe van een dwangsom. Het bouwplan is niet gerealiseerd en vergunninghouder heeft ter zitting erkend dat hij het bouwplan niet kan realiseren. In deze omstandigheden leidt eiser dus geen schade als verweerder zijn besluit over de intrekking van de bouwvergunning opschort totdat in rechte vaststaat of het bouwplan, gelet op de erfdienstbaarheid, mag worden gerealiseerd. Het betoog van eiser slaagt niet.
4. Het bestreden besluit kan op voormelde gronden standhouden. Wat eiser verder nog heeft gesteld over het op 28 april 2010 door de gemeenteraad vastgestelde Visiedocument Groene Vingers, het nationale beleid en het toekomstige planologisch beleid, en de inbreuk op cultuurhistorische waarden, kan niet leiden tot het oordeel dat verweerder zijn besluit over de intrekking van de bouwvergunning niet mag opschorten.
5. Het beroep zal ongegrond zal worden verklaard. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten of tot vergoeding van het door eiser gestorte griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van
J.J.M. Tol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.
Afschrift verzonden op:
DOC: B
SB