ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ7170

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Parketnr 13.706139-11, RK nummer 11/998.
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 2 OverleveringswetArt. 5 OverleveringswetArt. 7 OverleveringswetArt. 23 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Denemarken ondanks voorrang Belgische EAB

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 april 2011 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Denemarken op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit bevel was uitgevaardigd door het Deense Ministerie van Justitie in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar vijf strafbare feiten volgens Deens recht.

Tijdens de zitting op 18 maart 2011 werden de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw gehoord, waarbij een tolk in het Russisch aanwezig was. De identiteit van de opgeëiste persoon werd bevestigd, evenals zijn Oekraïense nationaliteit. De rechtbank stelde vast dat de feiten zowel onder Nederlands als Deens recht strafbaar zijn en dat aan de dubbele strafbaarheidsvereiste is voldaan.

Er bestond een samenloop met een eerder Belgisch EAB. De officier van justitie gaf aan dat aan het Belgische EAB voorrang moet worden gegeven, mede omdat de opgeëiste persoon op basis daarvan was aangehouden en de Deense autoriteiten akkoord gingen met onmiddellijke overlevering aan België. De rechtbank bevestigde dit oordeel en achtte de keuze van de officier van justitie redelijk.

Ondanks de voorrang van het Belgische EAB werd de overlevering aan Denemarken toegestaan, omdat aan alle wettelijke eisen van de Overleveringswet was voldaan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Denemarken toe ondanks de voorrang van het Belgische EAB.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.706139-11
RK nummer: 11/998
Datum uitspraak: 1 april 2011
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 februari 2011 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 4 februari 2011 door het plaatsvervangend hoofd van het Deense Ministerie van Justitie (Justitsministeriet), Denemarken. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
alias [alias],
geboren te [geboorteplaats] (Oekraïne) op [geboortedatum] 1972,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans uit anderen hoofde gede¬tineerd in het Huis van Bewaring “Haarlem” te Haarlem.
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 maart 2011. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager namens mr. M.J. van Essen, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Russische taal.
2. Grondslag en inhoud van het EAB
Aan het EAB ligt een beschikking met betrekking tot de voorlopige hechtenis van 3 februari 2011 van een rechter bij de rechtbank Sonderborg ten grondslag. (K01-402/2011)
Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan vijf naar het recht van Denemarken strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.
3. Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Oekraïense nationaliteit heeft.
4. Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De feiten zijn zowel naar het recht van Denemarken als naar Nederlands recht strafbaar.
Op deze feiten is in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden gesteld.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft dan wel het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.
5. Samenloop
Er is sprake van samenloop van het onderhavige aanhoudingsbevel met een aanhoudingsbevel uit België uitgevaardigd op 2 februari 2011.
In zijn schriftelijke samenvatting overweegt de officier van justitie dat voorrang dient te worden gegeven aan overlevering voor het Europees aanhoudingsbevel afkomstig van de Belgische justitiële autoriteiten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de opgeëiste persoon op grond van dit EAB is aangehouden en het Deense EAB pas enige tijd later werd ontvangen. Bovendien hebben de Deense autoriteiten aangegeven akkoord te gaan met een onmiddellijke overlevering naar België.
De opgeëiste persoon alsmede zijn raadsvrouw hebben te kennen gegeven eveneens de voorkeur te hebben om voorrang te geven aan het Belgische verzoek.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie in redelijkheid tot zijn keuze kunnen komen. De rechtbank bevestigt derhalve het oordeel van de officier van justitie dat aan het Belgische EAB voorrang dient te worden gegeven.
6. Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 311 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon], alias [alias] aan het plaatsvervangend hoofd van het Deense Ministerie van Justitie ten behoeve van het in Denemarken tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. J.H.J. Evers, voorzit¬ter,
mrs. S.A. Krenning en I.V.Ottens, rech¬ters,
in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif¬fier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2011.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.