ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ6085
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak moord en afpersing, veroordeling voor bezit hasjiesj en fenacetine
De rechtbank Amsterdam heeft verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde moord op een man nabij de Van Hallstraat in Amsterdam op 29 december 2007 en van betrokkenheid bij een drugsdeal op dezelfde dag, omdat het bewijs hoofdzakelijk steunde op verklaringen van twee getuigen die onvoldoende betrouwbaar werden geacht. Er was geen objectief technisch bewijs dat verdachte op de plaats van het misdrijf aanwezig was.
Wel werd bewezen verklaard dat verdachte op 7 juli 2008 in zijn woning in bezit was van 239 gram hasjiesj en 233 gram fenacetine, stoffen die gebruikt worden bij de handel in verdovende middelen. De rechtbank achtte aannemelijk dat verdachte wist van de aanwezigheid van deze stoffen en dat fenacetine werd gebruikt om cocaïne te versnijden.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 25 dagen op, waarbij rekening werd gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn en de eerdere voorlopige hechtenis van verdachte. Verdachte werd vrijgesproken van de zwaardere feiten wegens gebrek aan overtuigend bewijs en de verklaringen van de getuigen werden kritisch beoordeeld vanwege mogelijke belangenverstrengeling en onderlinge afstemming.
De rechtbank wees tevens af de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf op grond van de omstandigheden en de reeds ondergane voorlopige hechtenis. De straf is gegrond op de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van moord en afpersing, veroordeeld tot 25 dagen gevangenisstraf voor bezit van hasjiesj en fenacetine.