ECLI:NL:RBAMS:2011:BP9499
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid en strafoplegging tenuitvoerlegging buitenlandse gevangenisstraf wegens drugshandel
De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot verlof voor tenuitvoerlegging in Nederland van een gevangenisstraf van acht jaar en zes maanden opgelegd door het Landgericht Baden-Baden in Duitsland wegens medeplegen van drugshandel. De veroordeelde, met de Nederlandse nationaliteit, verbleef sinds juni 2008 in detentie en werd in oktober 2009 overgebracht naar Nederland.
Tijdens de procedure stelde de rechtbank vragen aan de Duitse autoriteiten over de mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling door Abschiebung (uitzetting) naar Nederland, waarbij werd vastgesteld dat met grote waarschijnlijkheid de veroordeelde op 23 september 2012 feitelijk in vrijheid zou zijn gesteld. De officier van justitie eiste een straf van acht jaar, zonder rekening te houden met Abschiebung, terwijl de verdediging dit wel relevant achtte.
De rechtbank oordeelde dat de strafrechtelijke positie van de veroordeelde niet verzwaard mag worden en dat rekening moet worden gehouden met de voorwaardelijke invrijheidstelling op 23 september 2012. Gezien de ernst van de drugshandel en de hoeveelheid drugs, legde de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaar en vier maanden op, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis en detentie in Nederland en Duitsland.
De rechtbank benadrukte dat de veroordeelde het risico heeft genomen in Duitsland zwaarder gestraft te worden dan in Nederland en dat dit voor zijn rekening komt. De beslissing houdt rekening met de Nederlandse uitgangspunten en de omstandigheden van de zaak.
Uitkomst: De rechtbank verleent verlof tot tenuitvoerlegging en legt een gevangenisstraf van zes jaar en vier maanden op met aftrek van detentietijd.