ECLI:NL:RBAMS:2011:BP5390
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- L. Biller
- W.M.C. van den Berg
- C.E.M. Marsé
- Rechtspraak.nl
Interlocutoire uitspraak over overlevering en proportionaliteit bij Europees aanhoudingsbevel Zweden
De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een persoon aan Zweden op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) wegens illegale handel in verdovende middelen. De opgeëiste persoon was in Zweden aanvankelijk vrijgesproken, maar in hoger beroep werd besloten tot voorlopige hechtenis vanwege zijn afwezigheid bij de zitting.
De rechtbank constateerde dat de Zweedse autoriteiten op meerdere niveaus de belangen van de opgeëiste persoon hebben meegewogen, waardoor het uitvaardigen van het EAB niet onevenredig bezwarend is. Echter, gezien de langdurige voorlopige hechtenis met beperkingen die de opgeëiste persoon in Zweden heeft ondergaan, en de daardoor ontstane posttraumatische stressstoornis, bestaat een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij hernieuwde detentie.
De rechtbank benadrukte de eigen onderzoeksplicht omtrent mogelijke schendingen van fundamentele rechten en besloot het onderzoek te heropenen en voor onbepaalde tijd te schorsen om nadere informatie van de Zweedse autoriteiten te verkrijgen over het detentieregime na overlevering. De opgeëiste persoon zal opnieuw worden opgeroepen voor een nader te bepalen zitting.
Uitkomst: Onderzoek naar overlevering wordt heropend en voor onbepaalde tijd geschorst wegens reëel risico op schending artikel 3 EVRM.