Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen
[naam bedrijf],
Procesverloop
1 september 2010, de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
Overwegingen
11 februari 2011 met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb aan de rechtbank toestemming gegeven om mede op grondslag van de Bibob-adviezen en de overige stukken uitspraak te doen.
www.rechtspraak.nlonder LJ-nummer BJ1892).
18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De veroordeling had onder meer betrekking op handelen in strijd met artikel 1, eerste lid, van het Loonadministratiebesluit.
[naam leidinggevende] (voormalig leidinggevende van eiseres, voorheen bestuurder van [naam bedrijf 1]) heeft verklaard dat de activiteiten van [naam bedrijf 1] zijn overgenomen door eiseres. Bovendien is
[persoon C], die de onderhavige vergunningen voor eiseres heeft aangevraagd, tot aan het faillissement van [naam bedrijf 1] leidinggevende van [naam bedrijf 1] geweest. De rechtbank komt dan ook met verweerders tot de conclusie dat eiseres feitelijk een doorstart is van [naam bedrijf 1]
De bevindingen uit het NERO-onderzoek ten aanzien van[naam bedrijf 1] en de aan [naam bedrijf 1] toe te schrijven strafbare feiten staan derhalve ook in relatie tot eiseres.
www.rechtspraak.nlonder LJ-nummer BB3818). Eiseres is tijdens de voorbereiding van de primaire besluiten in de gelegenheid gesteld het Bibob-advies van 31 januari 2008 in te zien en daarna haar zienswijze te geven. Dit geldt tevens voor het in de bezwaarfase uitgebracht Bibob-advies van 13 augustus 2009. Voorts hebben verweerders alle in het advies van 31 januari 2008 genoemde feiten en omstandigheden die ten grondslag zijn gelegd aan de primaire besluiten, in die besluiten vermeld.
www.rechtspraak.nlonder LJ-nummer BL1853). Hetzelfde geldt voor het betoog van eiseres dat de weigering van de vergunningen zich niet verhoudt tot artikel 1 van Pro het Protocol bij het EVRM. De rechtbank ziet in hetgeen door eiseres is aangevoerd geen aanleiding om van deze vaste jurisprudentie af te wijken. Voorts kan, gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 4.4. over de mate van gevaar, niet worden geoordeeld dat de weigering van de vergunningen disproportioneel is in verhouding tot de belangen van eiseres.