ECLI:NL:RBAMS:2010:BU7810

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HA RK 10.524
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 515 lid 5 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wraking voorzitter meervoudige kamer wegens vermeende partijdigheid

De zaak betreft een mondeling verzoek tot wraking van de voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, ingediend tijdens de behandeling van een vordering tot gevangenhouding. Verzoeker, een verdachte met beperkte kennis van het Nederlands en Engels, voelde zich belemmerd in zijn recht om als laatste het woord te voeren en zijn visie op de zaak te geven. De rechter had verzoeker onderbroken om zelf een opmerking te maken, waarna het wrakingsverzoek werd ingediend.

De rechtbank heeft het wrakingsverzoek inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de rechterlijke onpartijdigheid niet is geschaad. Hoewel de rechter verzoeker onderbrak, was dit niet bedoeld om verzoeker of zijn raadsman te beletten hun standpunten naar voren te brengen. De mededeling van de rechter dat het niet om een inhoudelijke behandeling ging, was feitelijk onjuist, maar het was aannemelijk dat de rechter wilde verduidelijken dat het ging om de beoordeling van de zwaarte van de verdenkingen voor gevangenhouding.

De rechtbank concludeert dat het wrakingsverzoek ongegrond is en wijst het af. De behandeling van de zaak wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen voorziening open.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de voorzitter van de meervoudige kamer wordt afgewezen wegens ontbreken van rechterlijke partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Beschikking op het op 31 mei 2010 gedane en onder rekestnummer HA RK 10.524
ingeschreven ver¬zoek tot wra¬king van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats], Nigeria op [1981],
thans gedetineerd in het huis van bewaring Havenstraat te Amsterdam,
verzoeker,
raadsman: mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. [rechter], rechter te Amsterdam, voorzitter van de meervoudige kamer, hierna: de rechter.
Verloop van de procedure
Tijdens de behandeling in raadkamer op 31 mei 2010 van de vordering gevangenhouding van verzoeker heeft de raadsman van verzoeker namens deze mondeling het verzoek tot wraking gedaan gericht tegen de rechter.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
- de vordering gevangenhouding;
- het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer;
- het proces-verbaal behandeling raadkamer;
- de pleitaantekeningen van de raadsman.
De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 31 mei 2010 alwaar de rechtbank verzoeker, de raadsman, de rechter en de officier van justitie heeft gehoord. Bij de behandeling was een tolk in de Engelse taal aanwezig.
Na de behandeling ter zitting is mondeling op het verzoek beslist. De beslissing is op de zitting uitgesproken. Deze beschikking vormt de uitwerking van die beslissing.
1. De feiten
Van de volgende feiten wordt uitgegaan.
a) Verzoeker is verdachte in een bij deze rechtbank onder parketnummer 13/670487-10 aanhangige strafzaak.
b) Nadat de officier van justitie de gevangenhouding van verzoeker had gevorderd voor een periode van maximaal 90 dagen, wilde verzoeker het woord voeren om zijn visie naar voren te brengen. De rechter heeft de raadsman de gelegenheid gegeven om als eerste te reageren op de vordering. Vervolgens heeft de officier van justitie zijn standpunt mogen toelichten en daarna heeft verzoeker de gelegenheid gekregen om het laatste woord te voeren.
c) Volgens het proces-verbaal behandeling raadkamer heeft de rechter verzoeker kort nadat hij was begonnen om zijn verhaal te doen onderbroken. Hierna heeft de raadsman de rechter
onderbroken en gezegd dat hij vond dat de rechter verzoeker diende te laten uitspreken. De
rechter heeft meegedeeld van mening te zijn dat hij zijn opmerking moest kunnen maken. Hierna is het wrakingsverzoek gedaan.
2. Het verzoek en de gronden daarvan
Het verzoek tot wraking is - zakelijk weergegeven - gebaseerd op de navolgende gronden.
2.1 De rechter heeft zich partijdig getoond door blijk te geven van desinteresse in hetgeen verzoeker zelf naar voren wenste te brengen met betrekking tot de tegen hem ingebrachte bezwaren.
2.2 Verzoeker is slechts zeer kort in Nederland, zijn kennis van de Engelse taal is zeer beperkt en hij begrijpt niet veel van de Nederlandse rechtgang. Verzoeker verbleef bij een landgenoot in Nederland die hem onderdak heeft aangeboden. In die woning is een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Verzoeker is daar echter niet bij betrokken. Verzoeker vindt het geen onnatuurlijke gang van zaken dat de rechter, nadat de officier van justitie de vordering had toegelicht, eerst aan zijn raadsman het woord heeft gegeven, al had hij zijn visie toen al naar voren willen brengen. Zijn bezwaar is dat de rechter hem het recht heeft ontnomen om als laatste het woord te voeren en om daarbij zelf zijn visie op de vordering tot langdurige vrijheidsbeneming te geven. Al na twee zinnen viel de rechter hem in de rede met de mededeling dat wat hij zei zou moeten worden gezegd bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van zijn zaak. Ook de raadsman werd belet om de bezwaren tegen de vordering naar voren te brengen. Daarop heeft de raadsman namens verzoeker de rechter gewraakt.
3. De reactie van de rechter
De rechter heeft het verzoek bestreden.
Verzoeker wilde beginnen aan een uitgebreide toelichting vanaf zijn aankomst in Nederland. De rechter heeft hem toen onderbroken en wilde uitleggen dat het nog niet om een inhoudelijke behandeling van zijn zaak ging. Hij werd hierin onderbroken door de raadsman. De rechter wilde alleen de goede procesorde bewaken. Daartoe had hij aan het begin van de behandeling de gang van zaken reeds toegelicht. Verzoeker heeft dat begrepen, althans de raadsman heeft daartegen niet geprotesteerd.
4. De reactie van de officier van justitie
De officier van justitie is van oordeel dat het verzoek behoort te worden afgewezen. Verzoeker was er kennelijk verbaasd over dat de rechter eerst het woord heeft gegeven aan de raadsman.
5. De beoordeling van het verzoek
5.1 Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek dient voorop te worden gesteld dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
5.2 Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door de raadsman namens verzoeker aangedragen - en ter zitting gebleken - feiten en omstandigheden de rechterlijke partijdigheid niet schaden. Niet gebleken is dat de rechter verzoeker (dan wel zijn raadsman) heeft belet dan wel heeft willen beletten om zijn visie op de zaak te geven en verzoeker de gelegenheid heeft ontnomen om nog iets toe te voegen aan hetgeen reeds was gezegd. Vast staat slechts dat de rechter verzoeker heeft onderbroken om zelf een opmerking te maken. Weliswaar was de mededeling van de rechter dat het niet om een inhoudelijke behandeling gaat, niet juist, omdat beoordeeld dient te worden of de verdenkingen tegen verzoeker voldoende zwaarwegend zijn om gevangenhouding te rechtvaardigen, maar het is aannemelijk dat de rechter dit laatste ook duidelijk wilde maken. Hij is kennelijk door (de raadsman van) verzoeker niet goed begrepen en heeft niet de gelegenheid gekregen om zijn standpunt over de goede procesorde in dit verband alsnog naar voren te brengen.
5.3 Het wrakingsverzoek zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.
BESLISSING :
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer 13/670487-10 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mrs. F.G. Bauduin, A.J.T. Karskens en C.M. Degenaar leden van genoemde kamer, en uitgespro¬ken ter open¬bare terecht¬zitting van 31 mei 2010 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.
Tegen de beslissing staat ingevolge het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv Pro geen voorziening open.