ECLI:NL:RBAMS:2010:BO8916
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek opheffing of schorsing voorlopige hechtenis en afsplitsing 1993-zaken in Passageproces afgewezen
De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 november 2010 verzoeken van de verdediging van drie verdachten in het Passageproces. De raadsheren verzochten primair om opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis en subsidiair om afsplitsing van de deelonderzoeken betreffende liquidaties uit 1993, de zogenaamde 1993-zaken. De rechtbank overwoog dat de samenhang tussen de 1993-zaken en andere Passagezaken afsplitsing niet rechtvaardigt en wees deze verzoeken af.
Met betrekking tot de voorlopige hechtenis stelde de rechtbank vast dat ondanks de uitzonderlijk lange duur van het voorarrest, de ernstige bezwaren en gronden voor voortduring aanwezig zijn. De rechtbank beoordeelde het tijdsverloop in het licht van artikel 5 lid 3 EVRM Pro en concludeerde dat de complexiteit van het dossier, de omvangrijke onderzoeksactiviteiten, het gedrag van de verdachten en de belangen in het proces een redelijke termijn rechtvaardigen. Er was geen sprake van verwijtbaar handelen door overheid of verdediging dat het proces onredelijk vertraagde.
De rechtbank benadrukte dat de behandeling van de zaak door één zittingscombinatie per instantie wenselijk is vanwege de samenhang van de zaken en de rol van de kroongetuige. Ook de recente toevoeging van een nieuwe verdachte maakt afsplitsing onwenselijk. De verzoeken tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis en tot afsplitsing van de 1993-zaken werden daarom afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de verzoeken tot opheffing of schorsing van voorlopige hechtenis en afsplitsing van de 1993-zaken af.