ECLI:NL:RBAMS:2010:BO7048

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
13/529027-07 en 13/529010-09
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a SvArt. 140 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing voorlopige hechtenis wegens onvoldoende ernstige bezwaren en wettelijke termijnoverschrijding

De verdediging van verdachte verzocht meerdere keren om opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van het ontbreken van ernstige bezwaren en subsidiar de toepassing van artikel 67a lid 3 Sv. Het openbaar ministerie verzette zich hiertegen en stelde dat de ernstige bezwaren nog steeds aanwezig zijn en dat de wettelijke termijn nog niet was bereikt.

De rechtbank oordeelde dat de voorlopige hechtenis in de zaak-NICHT niet langer gerechtvaardigd is vanwege onvoldoende ernstige bezwaren en heeft deze opgeheven. In de 140-zaak bleef de voorlopige hechtenis echter gerechtvaardigd op basis van het aanwezige bezwarende materiaal.

Na een afweging van de duur van de voorlopige hechtenis (ruim drie jaar en zeven maanden) en de maximale straf voor deelname aan een criminele organisatie (zes jaar), concludeerde de rechtbank dat de situatie van artikel 67a lid 3 Sv zich voordeed. Daarom werd ook de voorlopige hechtenis in de 140-zaak opgeheven.

Het verzoek tot schorsing op persoonlijke gronden werd niet toegewezen omdat het belang van voortzetting van de voorlopige hechtenis zwaarder woog. De rechtbank gaf geen nadere toelichting om te voorkomen dat dit als een voorschot op de inhoud van het bewijs zou worden gezien.

Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven in beide zaken wegens onvoldoende ernstige bezwaren en overschrijding wettelijke termijn.

Uitspraak

Beslissing rechtbank op opheffingsverzoek mr. Meijering in de zaak [verdachte], d.d. 13 december 2010
De verdediging van [verdachte] heeft ter terechtzitting van 18 en 21 oktober, 25 en 29 november en 2 december 2010 om de opheffing van de voorlopige hechtenis van [verdachte] verzocht. Daartoe heeft zij aangevoerd, op gronden als in de pleitnotities vervat, primair dat de ernstige bezwaren ontbreken en subsidiair dat zich thans een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv voordoet. Meer subsidiair is de schorsing op persoonlijke gronden van verdachte verzocht.
Het openbaar ministerie heeft zich tegen een opheffing c.q. schorsing verzet op gronden als in zijn schriftelijke reacties vervat. Voor wat betreft de ernstige bezwaren heeft het naar voren gebracht dat die nog onverkort aanwezig zijn en voorts is het openbaar ministerie van mening dat van een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv nog geen sprake is. De persoonlijke omstandigheden die zijn aangevoerd in het kader van het schorsingsverzoek kunnen niet opwegen tegen het belang bij voortduring van de voorlopige hechtenis, aldus de officier van justitie.
De rechtbank overweegt als volgt.
[verdachte] zit in voorlopige hechtenis terzake van, kort gezegd, poging uitlokking van de moord op [slachtoffer] (hierna de zaak-NICHT), alsmede deelname aan een criminele organisatie gericht op liquidaties (hierna: de 140-zaak).
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat aan de ernstige bezwaren in de zaak Nicht niet langer voldoende gewicht kan worden toegekend om continuering van de voorlopige hechtenis terzake van dit feit nog te rechtvaardigen. Voorzover de voorlopige hechtenis is gestoeld op de zaak Nicht dient zij derhalve te worden opgeheven.
De rechtbank is daarentegen van oordeel dat, anders dan de raadsman heeft gesteld, in de 140-zaak het voorhanden zijnde bezwarende materiaal, beschouwd in zijn onderlinge samenhang, nog immer voldoende ernstige bezwaren oplevert om als grondslag voor de voorlopige hechtenis te kunnen dienen.
Hetgeen door de verdediging is aangevoerd ter zake van de samenstelling van het dossier en andere incidenten, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel omtrent de voorlopige hechtenis.
Hoewel de rechtbank tegen de achtergrond van het uitvoerige debat tussen verdediging en openbaar ministerie een nadere toelichting op deze beslissingen als meer bevredigend zou ervaren, ziet zij hiervan af. Een nadere toelichting zou ten onrechte als een voorschot op de toekomst uitgelegd kunnen worden, terwijl de precieze interpretatie en weging van het bezwarende materiaal naar het oordeel van de rechtbank voorwerp van debat dient te blijven.
Geconstateerd kan vervolgens worden dat [verdachte] thans alleen nog voorlopig gehecht zit in verband met, kort gezegd, de 140-zaak. [verdachte] zit in voorlopige hechtenis sedert 3 april 2007, derhalve op dit moment ruim drie jaren en 7 maanden.
Gelet op de maximumstraf die krachtens artikel 140 Wetboek Pro van Strafrecht kan worden opgelegd terzake van deelname aan een criminele organisatie (namelijk 6 jaren gevangenisstraf), in samenhang beschouwd met de VI-regeling (die ertoe strekt dat 2/3 deel van een opgelegde gevangenisstraf effectief wordt uitgezeten), komt thans een situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv in beeld.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het subsidiair gedane verzoek dient te worden toegewezen; de voorlopige hechtenis van [verdachte] dient in verband met de afweging krachtens artikel 67a lid 3 Sv terzake van de 140-zaak, te worden opgeheven.
De rechtbank merkt nog wel op dat, zoals zij ook eerder in de zaak tegen medeverdachte Burger heeft overwogen, in de krachtens artikel 67a lid 3 Sv te maken afweging alleen feiten dienen te worden betrokken, waarvoor iemand in voorlopige hechtenis zit.
Aan het schorsingsverzoek komt de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet toe.
Beslissing:
Heft op de voorlopige hechtenis in de zaak NICHT (13/529027-07) en de 140-zaak (parketnummer 13/529010-09).