ECLI:NL:RBAMS:2010:BN4352
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gezagsverhouding en co-ouderschapsregeling bij meervoudige nationaliteit en verhuizing
De rechtbank Amsterdam behandelde een geschil tussen ouders met een beëindigde relatie over het gezag en de verblijfplaats van hun zoon, die de Belgische en Duitse nationaliteit bezit en in Nederland woont. De vader verzocht om bevestiging dat hij samen met de moeder het gezag over het kind heeft, en om vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij hem, terwijl de moeder eenhoofdig gezag wenste en toestemming om met het kind naar Duitsland te verhuizen.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 3 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 de gezagsverhouding die van rechtswege is ontstaan volgens Belgisch recht, moet worden erkend, ondanks de meervoudige nationaliteit en het feit dat het kind in Nederland verblijft. Hierdoor hebben beide ouders gezamenlijk gezag.
De rechtbank weegt het belang van het kind en constateert dat de co-ouderschapsregeling uit 2008 goed functioneert en dat de verhuizing naar Berlijn een ingrijpende wijziging zou betekenen die de continuïteit van zorg en stabiliteit van het kind bedreigt. De moeder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk is of dat de situatie in Duitsland beter is voor het kind. Daarom wordt het verzoek tot verhuizing afgewezen en wordt de co-ouderschapsregeling gehandhaafd.
Daarnaast wordt de moeder een dwangsom opgelegd voor het niet naleven van de beschikking. De behandeling van de kinderbijdrage wordt aangehouden voor nader verweer. De beslissing benadrukt het belang van continuïteit in de zorg en het belang van het kind bij gezagskwesties met internationale aspecten.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt gezamenlijk gezag van vader en moeder en wijst het verzoek van moeder tot verhuizing naar Duitsland af.