ECLI:NL:RBAMS:2010:BN1454
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering herstel gebreken metrovoertuigen GVB wegens onvoldoende spoedeisend belang en onduidelijkheid ontwerpfouten
Het GVB vorderde in kort geding dat de fabrikant en leverancier van metrovoertuigen, CAF en Alstom, verplicht zouden worden de defecten aan tandwielkasten, koppelingen en motoren te herstellen. De metrovoertuigen vertoonden vanaf 2001 ernstige gebreken die tot frequente uitval leidden, ondanks eerdere revisies in 2003-2005. Het GVB stelde dat sprake was van ontwerpfouten en non-conformiteit met de overeenkomst, en dat de garantietermijnen niet (volledig) waren verstreken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het GVB een spoedeisend belang had bij voldoende inzetbare metrovoertuigen, maar dat de vordering niet toewijsbaar was omdat niet zonder nader deskundigenonderzoek kon worden vastgesteld of ontwerpfouten daadwerkelijk de oorzaak waren. De garantietermijnen waren vermoedelijk verstreken en eerdere reparaties waren niet onder garantie uitgevoerd. Ook was onduidelijk in hoeverre onderhouds- en gebruiksfactoren een rol speelden.
De rechtbank verwierp het verweer van gedaagden dat het GVB haar rechten had verwerkt of dat de verjaring was ingetreden. Het GVB had tijdig geklaagd en haar rechten voorbehouden. De vordering voldeed echter niet aan het criterium van voldoende aannemelijkheid voor toewijzing in kort geding. De voorzieningenrechter wees de vordering af en veroordeelde het GVB in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van het GVB tot herstel van de defecten aan de metrovoertuigen wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van ontwerpfouten en verstreken garantietermijnen.