ECLI:NL:RBAMS:2010:BM7331
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over AOW-verzekering van Oostenrijkse zeevarende met langdurig verblijf in Nederland
Eiser, van Oostenrijkse nationaliteit, werkte van 1962 tot 1966 als zeevarende voor de Holland-Amerika-lijn en verbleef tussentijds in Rotterdam. Hij vordert erkenning van verzekering voor de AOW over die periode. Verweerder stelde dat vreemdelingen die aan boord van Nederlandse zeeschepen wonen en werken destijds waren uitgesloten van verzekering, wat volgens jurisprudentie niet strijdig was met internationaal recht.
De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in loondienst in Nederland werkte of loonbelasting betaalde. Zijn verblijf in Rotterdam was van beperkte duur en in een 'long term stay-hotel', wat geen duurzaam verblijf vormt. Op grond van destijds geldende besluiten werd eiser als vreemdeling aan boord van een Nederlands schip niet verzekerd, in tegenstelling tot Nederlanders.
Eiser betoogt dat dit onderscheid discriminatoir is en niet meer gerechtvaardigd kan worden geacht, mede gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 mei 2007. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft gemotiveerd of het onderscheid thans nog gerechtvaardigd is. Daarom geeft de rechtbank verweerder de gelegenheid tot nadere motivering en verwijst de zaak naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling.
De rechtbank wijst erop dat de zaak al bijna twee jaar duurt en dat een regierol van de rechtbank kan bijdragen aan het voorkomen van overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel wordt slechts gehandhaafd voor een vergelijkbare situatie van een andere persoon, waarbij verweerder een fout erkent. De rechtbank oordeelt dat het gelijkheidsbeginsel niet verplicht tot terugwerkende kracht van correcties.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en verwijst de zaak voor nadere motivering en verdere behandeling naar de meervoudige kamer.