ECLI:NL:RBAMS:2009:BM3902
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.P. Schoonbrood - Wessels
- Rechtspraak.nl
Bank schendt zorgplicht niet door nalaten registratie pandlijst bij hoofdelijk medeverbonden moedermaatschappij
De zaak betreft een geschil tussen [A-B] Groep B.V., moedermaatschappij en hoofdelijk medeverbonden voor de schulden van haar dochter RRS, en ING Bank. ING had een krediet verstrekt aan de groep met verpanding van bedrijfsuitrusting, voorraden en vorderingen. RRS verstrekte een pandlijst met uitstaande vorderingen, maar deze pandlijst werd niet geregistreerd bij de Belastingdienst. Hierdoor is geen pandrecht op de vorderingen van RRS ontstaan.
[A-B] stelde dat ING haar zorgplicht had geschonden door niet te zorgen voor tijdige registratie van de pandlijst, waardoor zij na betaling van de schuld niet kon worden gesubrogeerd in het pandrecht. ING voerde aan dat registratie niet vereist was en dat het pandrecht reeds bij de pandakte was gevestigd. De rechtbank oordeelde dat de pandakte slechts een verplichting tot verpanding bevatte, niet de daadwerkelijke verpanding van vorderingen, en dat registratie van de pandlijst noodzakelijk was voor het ontstaan van het pandrecht.
De rechtbank overwoog dat de zorgplicht van ING jegens [A-B] niet meebrengt dat de bank verplicht was het pandrecht te vestigen na het aangaan van de hoofdelijke medeverbondenheid, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Zulke omstandigheden waren niet gesteld. Ook het beroep op artikel 6:154 BW Pro faalde, omdat [A-B] geen gerechtvaardigde verwachting had dat het pandrecht zou worden gevestigd. Subsidiaire vorderingen op grond van misbruik van omstandigheden en onverschuldigde betaling werden eveneens afgewezen. De vordering van [A-B] werd daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van [A-B] wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.