ECLI:NL:RBAMS:2009:BL6838

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HA RK 09.473
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 515 lid 5 SvArt. 67 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid in voorlopige hechteniszaak

Verzoeker, verdachte in een strafzaak, diende een mondeling wrakingsverzoek in tegen een lid van de meervoudige raadkamer die besliste over zijn gevangenhouding. Dit verzoek was gebaseerd op de stelling dat de rechter eerder ten nadele van verzoeker had beslist in een hoger beroep van de officier van justitie tegen een eerdere beslissing van de rechter-commissaris.

De rechtbank overwoog dat het enkele feit dat dezelfde rechter eerder op de vordering tot inbewaringstelling had beslist, niet automatisch leidt tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. De raadkamer beoordeelt immers opnieuw of de gronden voor voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig zijn, op basis van artikel 67 Sv Pro.

De rechtbank stelde vast dat er geen feiten of omstandigheden waren die een zwaarwegende aanwijzing vormen voor het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid. Zowel het subjectieve als het objectieve criterium voor wraking werden niet gehaald. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen.

De beslissing werd mondeling uitgesproken tijdens de raadkamerzitting van 22 juni 2009 en schriftelijk bevestigd in deze beschikking. Tegen deze beslissing staat geen voorziening open volgens artikel 515 lid 5 Sv Pro.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK TE AMSTERDAM
Rekestnummer HA RK 09.473
Beschikking van 22 juni 2009 inzake:
[ ],
verzoeker tot wraking,
raadsman mr. J.B. Boone,
en
MR. [ ], in haar hoedanigheid als lid van de meervoudige raadkamer, rechter in de rechtbank Amsterdam, hierna : de rechter.
1. De procedure
Ter zitting van 22 juni 2009 heeft verzoeker in de raadkamer gevangen houdingen een mondeling verzoek tot wraking gedaan gericht tegen de rechter.
De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten.
Het verzoek is behandeld in raadkamer van 22 juni 2009, waar de rechtbank verzoeker, diens raadsman, de rechter en de officier van justitie heeft gehoord.
Na behandeling ter zitting is mondeling op het verzoek tot wraking beslist. De beslissing is op de zitting uitgesproken. Deze beschikking vormt de uitwerking van die beslissing.
2. De feiten
a) Verzoeker is verdachte in een strafzaak geregistreerd onder parketnummer [ ].
b) Op 22 juni 2009 heeft de behandeling in raadkamer plaatsgevonden van de vordering van het openbaar ministerie tot gevangenhouding van verzoeker. De rechter is lid van de combinatie die op de vordering dient te beslissen.
c) De raadsman van verzoeker heeft de rechter gewraakt.
3. De gronden van het verzoek
3.1 Verzoeker heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd. In eerste instantie had de rechter-commissaris in strafzaken op een vordering tot inbewaringstelling, beslist dat er geen gronden waren verzoeker in bewaring te stellen. De officier van justitie heeft vervolgens in appel bij de rechtbank opnieuw zijn bewaring verzocht. De rechtbank heeft die vordering toegewezen. Verzoeker heeft vervolgens bij de rechter-commissaris in strafzaken een verzoek tot invrijheidstelling ingediend. De rechter-commissaris heeft dat opgevat als een verzoek tot schorsing van de bewaring en dat verzoek afgewezen. Vandaag wordt beslist op het verzoek tot gevangenhouding van verzoeker. Bij binnenkomst herkende zijn raadsman één van de rechters, als lid van de kamer die eerder had beslist op het hoger beroep van de officier van justitie tegen de beslissing van de rechter-commissaris.
Nu de rechter eerder ten nadeel van verzoeker heeft beslist en nu voor de tweede maal dient te beslissen over de gevangenhouding, is bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert.
4. Het standpunt van de rechter
De rechter heeft ter zitting medegedeeld dat zij inderdaad betrokken was bij de eerder gegeven beslissing om verzoeker in bewaring te stellen. Zij heeft echter geen reden gezien zich van behandeling van het verzoek tot verlenging terug te trekken.
5. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft samengevat aangevoerd dat de rechter-commissaris uitvoerig heeft overwogen waarom het verzoek tot invrijheidstelling is afgewezen. In raadkamer staat niet de inhoud van de tenlastelegging ter discussie maar de vraag of de gevangenhouding van verzoeker moet worden verleend. De officier ziet geen formele beletselen voor de rechter om niet aan de behandeling van de vordering deel te nemen.
5. Beoordeling van het verzoek
5.1 Op grond van het bepaalde in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
5.2 Bij die beoordeling staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een
zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De vraag of er sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt.
5.3 Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzing te ontlenen dat de rechter - subjectief - partijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel geen houvast gevonden.
5.4 Te onderzoeken staat vervolgens of niettemin de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.
5.5 Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Het enkele feit dat de rechter al eerder op de vordering tot inbewaringstelling heeft beslist maakt nog niet dat thans aannemelijk is dat de rechterlijk niet onpartijdigheid is dan wel dat de vrees van verzoeker daaromtrent objectief gerechtvaardigd is. Niet als zwaarwegende kan worden beschouwd dat de rechter (mede)beslist op grond van dezelfde feiten. De raadkamer die over de verlenging gevangenhouding oordeelt, zal namelijk opnieuw aan de hand van de in artikel 67 Sv Pro vermelde omstandigheden moeten oordelen of er nog steeds gronden bestaan voor de voorlopige hechtenis. Er is geen objectief gerechtvaardigd vermoeden dat de raadkamer dit niet op onpartijdige wijze zal doen.
6. De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.
B E S L I S S I N G :
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus beslist in raadkamer door mrs. F.G. Bauduin, D. van den Brink en Y.A.A.G. de Vries, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 22 juni 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen ingevolge artikel 515 lid 5 Sv Pro geen voorziening open.