ECLI:NL:RBAMS:2009:BL5503

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
HA RK 09.875
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 lid 2 SvArt. 512 SvArt. 513 SvArt. 515 lid 5 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen politierechter wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de politierechter op grond van vermeende partijdigheid, omdat de rechter tijdens de zitting de indruk zou hebben gewekt dat hij overtuigd was van de schuld van verzoeker. De rechtbank oordeelt dat het voorhouden van een verklaring van de aangever, waarin verzoeker werd aangeduid als de verdachte, een gebruikelijke procedurele handeling is en niet duidt op een vooringenomenheid van de rechter.

De rechtbank onderscheidt het subjectieve criterium (persoonlijke overtuiging van de rechter) en het objectieve criterium (objectief gerechtvaardigde vrees bij verzoeker) voor het vaststellen van partijdigheid. Geen van beide criteria werd door verzoeker voldoende onderbouwd.

De behandeling van de zaak was nog pril, en de rechter was nog niet toegekomen aan het vragen van een reactie van verzoeker op de verklaring. De rechtbank concludeert dat er geen zwaarwegende aanwijzingen zijn voor rechterlijke partijdigheid en wijst het wrakingsverzoek af.

De beslissing werd uitgesproken tijdens een openbare zitting op 26 november 2009, waarna de zaak werd hervat in de oorspronkelijke stand.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de politierechter is afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Beschikking op het op 25 november 2009 mondeling ter zitting gedane en onder rekestnummer HA RK 09.875 ingeschreven verzoek van:
[ ],
verzoeker tot wraking,
gedetineerd in de P.I. Amsterdam – HvB Havenstraat te Amsterdam,
raadsvrouw mr. F. van Baarlen,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. [ ], in zijn hoedanigheid van politierechter in de rechtbank Amsterdam, hierna: de rechter.
1. De procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:
? het proces-verbaal van de zitting van 25 november 2009;
? het procesdossier in de zaak met parketnummer [ ].
De rechter heeft medegedeeld niet in de wraking te berusten.
Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 26 november 2009, waar de rechtbank verzoeker, zijn raadsvrouw en de officier van justitie heeft gehoord.
Door de raadsvrouw is een pleitnota overgelegd.
Na behandeling ter zitting is na schorsing en hervatting van de behandeling op het verzoek tot wraking beslist. De beslissing is op de zitting uitgesproken.
Deze beschikking vormt de uitwerking van die beslissing.
2. Het verzoek en de gronden daarvan
Het verzoek berust in de kern op de gedachte dat de rechter de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen, althans dat de vrees objectief gerechtvaardigd is dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert. De rechter heeft de verdachte ter zitting bij de behandeling van de feiten tot tweemaal toe voorgehouden dat hij de man is waarop de aangever en eigenaar in hun verklaring tegenover de politie doelden, terwijl dat niet zonder meer uit het dossier blijkt. De rechter heeft hiermee blijk gegeven van enige overtuiging over de schuld of onschuld van verzoeker, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 27 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv).
3. De reactie van de rechter
De rechter heeft samengevat aangevoerd dat hij de zitting is begonnen met een korte zakelijke weergave van de stukken van het strafdossier tegen verzoeker. Hij is begonnen met de zakelijke weergave van de verklaring die de aangever tegenover de politie heeft afgelegd. Aan het stellen van vragen aan verzoeker is hij niet toegekomen omdat al snel discussie ontstond over de wijze waarop hij de stukken samenvatte. Deze discussie eindigde met het indienen van het wrakingsverzoek.
4. Beoordeling van het verzoek
4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 512 Sv Pro. dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstan¬digheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2 Bij die beoordeling staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voor-doen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dien-aangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De vraag of er sprake is van rechterlijke partijdigheid moet worden beantwoord aan de hand van twee criteria: het subjectieve criterium en het objectieve criterium. Bij het subjectieve criterium gaat het om de vraag of sprake is van een gebleken persoonlijke overtuiging en/of zodanig gedrag van een specifieke rechter dat de conclusie moet worden getrokken dat deze rechter partijdig is. Bij het objectieve criterium gaat het om de vraag of onafhankelijk van het gedrag van een specifieke rechter, vastgesteld moet worden dat er sprake is van een bij verzoeker objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid bij deze rechter ontbreekt.
4.3 Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzing te ontlenen dat de rechter - subjectief - partijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel geen houvast gevonden.
4.4 Te onderzoeken staat vervolgens of niettemin de aangevoerde en anderszins aan-nemelijk geworden omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een voorin-genomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.
4.5 Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Ter zitting is gebleken dat de behandeling van de zaak is aangevangen met het verkort voorhouden van de stuk-ken, meer in het bijzonder van het proces-verbaal van aangifte. Dat is een gebruike-lijke gang van zaken. De rechter heeft volgens het proces-verbaal van de zitting ver-zoeker voorgehouden dat de aangever een verklaring heeft afgelegd die onder meer inhoudt dat hij na terugkomst uit de tuin is aangesproken door de door hem aan de politie aangewezen persoon. De rechter heeft daarbij verzoeker aangekeken en me-degedeeld dat verzoeker de later aangehouden persoon is. Dat strookt met het zich in het dossier bevindende proces-verbaal met daarin opgenomen de verklaring van de aangever. De rechtbank kan verzoeker dan ook niet volgen in zijn stelling dat de rechter, door de wijze waarop hij de verklaring heeft voorgehouden, al blijk heeft gegeven van de overtuiging dat verzoeker de man is waar de aangever en de eigenaar op doelden. Het inhoudelijke onderzoek ter zitting was bovendien nog in een dermate pril stadium dat de rechter nog niet was toegekomen aan het vragen van een reactie van verzoeker op bedoelde verklaring van de aangever.
5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat de zaak met het parketnummer [ ]wordt hervat in de stand waar-in deze zich bevond ten tijde van indiening van het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, mrs. A.J.R.M. Vermolen en H.M.J. Quaedvlieg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv Pro geen voorziening open.