ECLI:NL:RBAMS:2009:BL5240
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor borggestelde belastingschulden in gemeenschap van goederen
De man en vrouw waren gehuwd in gemeenschap van goederen. De man had zich borg gesteld voor belastingschulden van zijn vennootschappen. Tijdens het huwelijk werden huwelijkse voorwaarden opgesteld met een Dozy-verklaring, waarbij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor bestaande gemeenschapschulden.
De Ontvanger van de Belastingdienst vorderde betaling van belastingschulden waarvoor de man borg stond. De rechtbank oordeelde dat deze borggestelde belastingschulden onder de gemeenschapschulden vielen, ook al ontstond de betalingsverplichting pas na het verdelen van de gemeenschap.
De vrouw had de borgstellingsovereenkomst vernietigd wegens gebrek aan toestemming en dwaling, maar dit verweer werd verworpen. De rechtbank stelde dat zij haar toestemming had gegeven door ondertekening en dat de Ontvanger niet gehouden was haar apart te informeren.
De betaling door een derde partij werd terecht afgeboekt op lopende verplichtingen en niet op de borggestelde schulden. Er was geen sprake van schuldeiserverzuim of paulianeus handelen. De vorderingen van de Ontvanger werden toegewezen en de reconventionele vorderingen van de man en vrouw afgewezen.
Uitkomst: De man en vrouw worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van ruim vijf miljoen euro aan de Belastingdienst, met rente en kosten.