ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ4246
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toestemming overlevering Nederlander aan Duitsland ondanks verlies verblijfsrecht
De rechtbank Amsterdam heeft op 10 april 2009 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een Nederlander aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel. De zaak betrof strafrechtelijke vervolging wegens betrokkenheid bij transporten van verdovende middelen die voor de Duitse markt bestemd waren.
De verdediging voerde aan dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onjuist had getoetst of de opgeëiste persoon zijn recht van verblijf in Nederland zou verliezen als gevolg van een na overlevering opgelegde straf. De rechtbank oordeelde dat de IND de juiste toetsingsmaatstaf had toegepast, namelijk artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit, en dat de verwachting bestond dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zou verliezen vanwege de zwaarte van de straf die in Duitsland wordt geëist.
Verder werd het verweer verworpen dat Duitsland geen rechtsmacht zou hebben over een van de feiten en dat overlevering op grond van territorialiteitsexceptie moest worden geweigerd. De officier van justitie had op redelijke gronden verzocht af te zien van deze weigeringsgrond.
De rechtbank concludeerde dat aan alle wettelijke eisen van de Overleveringswet was voldaan en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de Nederlander aan Duitsland toe ondanks betwisting van de IND-toetsing over verlies van verblijfsrecht.