ECLI:NL:RBAMS:2009:BI2605
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over nalatenschap en wilsrechten na overlijden erflater met Canadese vennootschap
De rechtbank Amsterdam behandelt een civiele zaak tussen erfgenamen over de nalatenschap van de overleden erflater, die aandeelhouder was van een Canadese vennootschap. Eisers stellen dat erflater dit vermogen bij de verdeling van een eerdere nalatenschap in 1991 opzettelijk heeft verzwegen, wat een onrechtmatige daad oplevert en leiden tot schadevergoeding.
De gedaagde verweert zich met het standpunt dat de vordering verjaard is en dat de rechtsgevolgen van de toepasselijke wetsartikelen niet exclusief zijn. Tevens voert zij aan dat het testament een kennelijke vergissing bevat omtrent de uitsluiting van bepaalde wilsrechten, welke zij wenst te laten rectificeren.
De rechtbank oordeelt dat cumulatie van grondslagen mogelijk is en dat eisers de bewijslast dragen voor opzettelijke verzwijging. De rechtbank wijst de vordering voorlopig aan en gelast bewijslevering over de opzettelijkheid en over de vraag of de vordering is verjaard. De vordering tot rectificatie van het testament wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Partijen krijgen gelegenheid tot bewijslevering en het proces wordt aangehouden voor verdere behandeling, waarbij getuigenverhoor mogelijk is.
Uitkomst: De rechtbank gelast bewijslevering over opzettelijke verzwijging en verjaring en houdt verdere beslissing aan.