ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6253
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkstelling en terugvordering bijstand ex-partner wegens gezamenlijke huishouding
Eiser ontvangt inkomsten uit arbeid, terwijl zijn ex-partner een alleenstaande-ouderuitkering op grond van de WWB ontvangt. Verweerder ontving een anonieme tip dat zij samenwonen op het adres van eiser. Een buurtonderzoek en huisbezoek bevestigden dat de ex-partner op dat adres verbleef en toestemming gaf voor het huisbezoek.
Verweerder stelt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, waardoor de teveel verstrekte bijstand mede van eiser kan worden teruggevorderd. Eiser betwist dit en stelt dat er sprake was van een LAT-relatie en dat zijn privacy is geschonden door het huisbezoek zonder zijn toestemming, wat volgens hem een schending van artikel 8 EVRM Pro inhoudt.
De rechtbank oordeelt dat de ex-partner bevoegd was om toestemming te geven voor het huisbezoek, gezien haar hoofdverblijf op het adres en het ontbreken van afwijkende afspraken. Er is geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM Pro. Uit verklaringen van buurtbewoners, de ex-partner en haar moeder blijkt dat er een gezamenlijke huishouding was in de periode 31 december 2005 tot en met 10 april 2006.
Verweerder heeft het beleid om kosten van bijstand altijd terug te vorderen, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, wat hier niet het geval is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkstelling van eiser voor de terugvordering van de bijstand.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de hoofdelijke aansprakelijkstelling voor terugvordering van bijstand wordt bevestigd.