ECLI:NL:RBAMS:2009:BH5080

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07-4683 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 WIAArt. 64 WIAArt. 8:22 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Redelijke uitleg van artikel 23 lid 6 WIA vereist tijdige aanvraag binnen 68 weken

De werknemer heeft op 30 juli 2007 een WIA-uitkering aangevraagd op basis van een verkorte wachttijd. Verweerder wees de aanvraag af omdat deze niet binnen de gestelde termijn van 68 weken na de eerste ziektedag was ingediend. Eiseres maakte bezwaar en stelde onder meer dat de termijn niet als fataal moest worden beschouwd en dat de hardheidsclausule van toepassing was.

De rechtbank stelde vast dat artikel 23, zesde lid, van de WIA een dwingendrechtelijke bepaling is die vereist dat de aanvraag binnen 68 weken na de eerste ziektedag wordt ingediend. De aanvraag van de werknemer was te laat, aangezien de eerste ziektedag op 6 april 2006 was en de aanvraag pas op 30 juli 2007 werd ontvangen.

Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder niet tekort is geschoten in zijn informatieplicht, omdat voldoende informatie beschikbaar was via het aanvraagformulier en de website van het UWV. De hardheidsclausule van artikel 64, tiende lid, van de WIA was niet van toepassing op deze situatie.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 6 februari 2009.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat de aanvraag voor de WIA-uitkering te laat is ingediend binnen de dwingendrechtelijke termijn van 68 weken.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 07/4683 WIA
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak tussen:
EB Adviescentrum B.V.,
wonende te Hilversum,
eiseres,
gemachtigde mr. C.A. van Kooten - de Jong
en
de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
gevestigd te Arnhem,
gemachtigde [gemachtigde verweerder].
1. Procesverloop
Op 30 juli 2007 heeft [werknemer], voormalig werknemer van eiseres (de werknemer) een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd op basis van een verkorte wachttijd.
Verweerder heeft de werknemer bij besluit van 8 augustus 2007 meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering op basis van een verkorte wachttijd, omdat de aanvraag niet binnen 68 weken na de eerste ziektedag is ingediend.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2008. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
2. Overwegingen
2.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat de werknemer op 13 juli 2008 aan de gevolgen van zijn ziekte is overleden.
2.2. Ook heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting meegedeeld dat op 7 oktober 2008 het faillissement van eiseres is uitgesproken en dat de curator mr. S.D.W. Gratama toestemming heeft gegeven om de procedure voort te zetten. De rechtbank stelt vast dat partijen bij brief van 6 oktober 2008 zijn uitgenodigd om op de zitting van de rechtbank te verschijnen. Gelet op artikel 8:22, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt het geding in dit geval gewoon doorgang en heeft de uitspraak ook rechtskracht jegens de failliete boedel.
2.3. Wettelijk kader
2.3.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WIA geldt, voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet, voor hem een wachttijd van 104 weken.
2.3.2. Artikel 23, zesde lid, van de WIA, voor zover in deze zaak van belang, luidt als volgt:
“Op aanvraag van de verzekerde stelt het UWV, in afwijking van het eerste lid, een verkorte wachttijd vast indien de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, en bij de aanvraag artikel 66 in Pro acht is genomen. Een verkorte wachttijd bedraagt ten minste 13 weken en ten hoogste 78 weken. Het einde van een verkorte wachttijd wordt niet eerder vastgesteld dan tien weken na de dag waarop de aanvraag daartoe is ingediend.”
2.4. Feiten en standpunten van partijen
2.4.1. Niet in geschil is dat de werknemer op het moment van de aanvraag volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.
2.4.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit artikel 23 van Pro de WIA volgt dat een aanvraag voor een WIA-uitkering op basis van een verkorte wachttijd binnen 68 weken na de eerste ziektedag moet worden ingediend. Omdat het een dwingendrechtelijke bepaling is, kan verweerder hier niet van afwijken. Volgens verweerder verstreek de termijn van 68 weken op 25 juli 2007. De werknemer heeft de aanvraag niet binnen die termijn ingediend.
2.4.3. In beroep heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte uit artikel 23, zesde lid van de WIA een fatale indieningstermijn van 68 weken afleidt. Dit blijkt niet uit de tekst van de bepaling. De bepaling sluit niet uit dat een belanghebbende pas later een beroep doet op een reeds bestaand recht op een WIA-uitkering. Subsidiair stelt eiseres dat de termijn onduidelijk is. Meer subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat de werknemer gezien zijn ernstige ziekte redelijkerwijs niet verweten kan worden dat hij de aanvraag te laat heeft ingediend. Ook stelt eiseres dat verweerder tekort is geschoten in de op hem rustende informatieplicht. Ten slotte heeft eiseres een beroep gedaan op de in artikel 64, tiende lid, van de WIA neergelegde hardheidsclausule.
2.5. Beoordeling van het beroep
2.5.1. Kern van het geschil vormt de vraag of artikel 23, zesde lid, van de WIA zo moet worden uitgelegd, dat een aanvraag voor een WIA-uitkering op basis van een verkorte wachttijd binnen 68 weken na het einde van de eerste ziektedag moet worden ingediend.
2.5.2. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Aan eiser moet worden toegegeven dat in artikel 23, zesde lid, van de WIA weliswaar niet expliciet staat dat een aanvraag voor een WIA-uitkering op basis van een verkorte wachttijd binnen 68 weken na het einde van de eerste ziektedag moet worden ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke uitleg van de tweede en derde zin van deze bepaling echter mee dat de aanvraag binnen 68 weken moet worden ingediend. Bij dit oordeel is van belang dat in de memorie van toelichting bij artikel 23 (Kamerstukken II 2004-2005, 30 034, p. 147) valt te lezen dat de verkorting van de wachttijd pas in kan gaan nadat de beslistermijn voor de afhandeling van het verzoek daartoe is verstreken.
2.5.3. De rechtbank stelt vast dat de eerste dag waarop de werknemer wegens ziekte niet heeft gewerkt 6 april 2006 is. Gelet op artikel 23, eerste lid, van de WIA moet de aanvraag voor de verkorte wachttijd uiterlijk binnen 68 weken na de eerste dag van arbeidsongeschiktheid, dat is voor 26 juli 2007, zijn ingediend. Niet in geschil is dat verweerder de aanvraag, die gedateerd is op 26 juli 2007, op 30 juli 2007 heeft ontvangen.
2.5.4. Uit het voorgaande volgt dat de aanvraag te laat is ingediend. Omdat artikel 23, zesde lid, van de WIA een bepaling van dwingend recht is, heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat de aanvraag te laat is ingediend. Anders dan eiseres heeft betoogd, kan een beroep op artikel 6:11 van Pro de Awb op algemene beginselen van behoorlijk bestuur er niet toe leiden dat deze bepaling buiten toepassing wordt gelaten.
2.5.5. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet tekort is geschoten in zijn informatieplicht. Op het gebruikte aanvraagformulier staat niet expliciet vermeld dat de aanvraag binnen 68 weken moet zijn ingediend. Dit hadden de werknemer en eiseres naar het oordeel van de rechtbank echter kunnen begrijpen uit de mededeling op het aanvraagformulier dat indien de werknemer reeds 68 weken of langer ziek is, de aanvraag als een gewone aanvraag voor een WIA-uitkering wordt behandeld en in dat geval sprake is van een wachttijd van 104 weken. Het UWV verwijst op het werknemersgedeelte van zijn website naar de brochure “Ik ben ziek. Wat nu?”. Hierin staat dat een aanvraag voor een WIA-uitkering met verkorte wachttijd tot en met de 68e week van de ziekte kan worden gedaan. Onder die omstandigheden had het de werknemer en eiseres duidelijk kunnen zijn dat de aanvraag binnen 68 weken moest worden ingediend. Bij eventuele onduidelijkheid had het op de weg van de werknemer en eiseres gelegen om zich op dit punt nader te (laten) informeren. Dit klemt temeer nu uit de gedingstukken blijkt dat de arbodienst van eiseres betrokken was bij het traject en begin juni 2007 op de hoogte was van het feit dat de werknemer een vervroegde WIA-aanvraag kon indienen.
2.5.6. Anders dan eiseres heeft betoogd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de hardheidsclausule van artikel 64, tiende lid, van de WIA in dit geval van toepassing is. Deze bepaling heeft, anders dan artikel 23 van Pro de WIA, betrekking op de aanvraag van de uitkering. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 64, tiende lid, van de WIA van overeenkomstige toepassing is op artikel 23, zesde lid, van de WIA.
2.6. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 februari 2009 door mr. L.C. Bachrach, voorzitter, mrs. R.B. Kleiss en A.C. Loman, in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. van Dullemen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
de griffier, de rechter,
Rechtsmiddel
Belanghebbenden en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na verzending van de uitspraak.
Afschrift verzonden op:
DOC: B