ECLI:NL:RBAMS:2008:BG5105
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Dienstjaren bij rechtsvoorganger tellen mee voor anciënniteit volgens CAO en Sociaal Plan
De zaak betreft de vraag of dienstjaren die een werknemer bij een rechtsvoorganger heeft gewerkt, meetellen voor de berekening van anciënniteit in het kader van de CAO en het Sociaal Plan. De werknemer was vanaf 1 september 1978 tot 1 september 1985 in dienst bij de Raad van Arbeid en daarna bij de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid (SFB), die per 1 januari 2002 is opgegaan in UWV.
De werknemer stelde dat UWV de dienstjaren bij de Raad van Arbeid als dienstjaren bij SFB moest meetellen, zoals bevestigd door een geschillencommissie in 1994 en door UWV zelf in een e-mail uit 2002. UWV had aanvankelijk de datum van indiensttreding op 1 september 1978 gezet en de werknemer vierde in 2003 zijn 25-jarig jubileum. Later stelde UWV dat deze datum fout was en wilde terugkomen op de toezegging.
De kantonrechter oordeelde dat UWV aan haar toezegging uit 2002 gebonden is en niet eenzijdig mag terugkomen op de vastgestelde datum van indiensttreding. UWV maakte onvoldoende duidelijk waarom er een verschil zou zijn tussen dienstjaren en anciënniteit, terwijl het Sociaal Plan en het Ontslagbesluit geen onderscheid maken tussen deze begrippen. De vordering van de werknemer werd toegewezen en UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: UWV moet de dienstjaren bij de rechtsvoorganger meetellen voor de anciënniteit vanaf 1 september 1978 en wordt veroordeeld in de proceskosten.