ECLI:NL:RBAMS:2008:BG4471
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- F.G. Bauduin
- G.H. Marcus
- J.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens schending verschoningsrecht bij tapgesprekken met geheimhouders
In deze strafzaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ter discussie vanwege het gebruik van bewijsmateriaal afkomstig uit het Alijda-project en de omgang met tapgesprekken met geheimhouders. De verdediging voerde aan dat het Alijda-project onrechtmatig was en dat er sprake was van schending van het verschoningsrecht, omdat gesprekken met geheimhouders niet tijdig werden vernietigd zoals wettelijk vereist.
De rechtbank oordeelde dat het Alijda-project zelf geen strafvorderlijke dwangmiddelen toepaste en dat de informatie-uitwisseling binnen een wettelijk kader plaatsvond. Wel werd vastgesteld dat een groot aantal gesprekken met geheimhouders onterecht was bewaard en niet vernietigd, ondanks bevelen daartoe door de officier van justitie. Dit leidde tot een ernstige aantasting van het vertrouwen in de rechtstatelijkheid van opsporing en vervolging.
Gezien de omvang en systematiek van de schending van het verschoningsrecht, en het belang van dit recht voor de rechtsstaat en derden die vertrouwelijke mededelingen doen, kon de rechtbank niet anders dan het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren. Hierdoor kwam de rechtbank niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens grootschalige schending van het verschoningsrecht bij tapgesprekken met geheimhouders.